auto BPM

Gaan we vanaf september nog meer belasting betalen?

Nu het warme weer is afgenomen en het ook al een paar keer geregend heeft, pakt men weer vaker de auto dan de fiets. Hiermee stoten we veel co2 uit. Deze uitstoot blijkt door een onjuiste test zelfs nog hoger dan vooraf berekend. De test die vanaf 2013 gebruikt werd om de co2 uitstoot van een bepaalde auto te bepalen, blijkt namelijk verre van betrouwbaar. Hierdoor klopt ook de aan de auto-eigenaar doorberekende Belasting Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) niet, want die wordt gebaseerd op de door de test gemeten co2-uitstoot.

Mede hierom is een nieuwe test in aantocht die beter meet hoeveel een auto uitstoot. Dit is op zich iets goeds: we zijn ons steeds meer bewust van het milieu. Voor Nederlanders heeft deze test echter wellicht ook nadelige gevolgen, omdat Nederland als enige land de BPM kent. Dit is een extra belasting op auto’s die gebaseerd is op de hoeveelheid gram co2 die de auto uitstoot. Het is daarom de vraag of deze nieuwe test en de resultaten die daarmee gepaard gaan gevolgen heeft voor de BPM die we bij de aanschaf van een nieuwe auto moeten betalen.

Meting co2-uitstoot

De berekening van de uitstoot werd vanaf 2013 gedaan door middel van de New European Driving Cycle (NEDC) test. Dit is een laboratoriumtest. Hierbij worden de spiegels van de auto gehaald, het reservewiel wordt verwijderd, naden worden afgeplakt, etcetera. Hierdoor heeft de auto zo min mogelijk weerstand. Daarbij komt nog dat in een laboratorium geen rekening kan worden gehouden met invloeden van buitenaf, zoals bijvoorbeeld wind. Hierdoor heeft de auto-industrie lange tijd testresultaten behaald, die in de praktijk niet haalbaar zijn. Deze onderzoeksmethode leidt dan ook tot een groot verschil in gemiddeld verbruik volgens de fabrikant en het verbruik in de praktijk.

Inmiddels is er meetapparatuur ontwikkeld die achterop een auto kan worden bevestigd. Op deze wijze kan de co2-uitstoot in de buitenlucht in een rijdende auto worden gemeten. Deze Worldwide Harmonised Light Vehicle Test Procedure (WLTP) moet ervoor zorgen dat de testresultaten beter aansluiten bij de daadwerkelijke co2-uitstoot. Dit betekent tevens dat de WLTP (test) een hogere co2-uitstoot zal weergeven dan de NEDC.

Berekening BPM

De BPM wordt gebaseerd op de co2-uitstoot, zoals deze in de tests gemeten is. Deze berekening is als volgt: Er is een starttarief van € 353,-. Daar komt per gram aan co2-uitstoot een bepaald bedrag bovenop aan de hand van een schijvenstelsel. Let wel, bestelauto’s, motoren en kampeerauto’s hebben deze gegevens over de uitstoot niet, hierbij gaat men uit van de cataloguswaarde. De BPM voor een bestelauto of kampeerauto is een percentage van de netto-catalogusprijs met een aftrek of toeslag, afhankelijk van de brandstof.

Gevolgen BPM

Het is de bedoeling dat alle nieuw verkochte personenauto’s vanaf september 2018 een WLTP-waarde hebben. In de loop van 2019 of aan het begin van 2020 worden de BPM-tarieven gebaseerd op de WLTP-goedkeuring. Aangezien deze test hogere co2 uitstoot meet, zullen er nieuwe BPM-tarieven moeten worden geïntroduceerd. Onze overheid heeft echter toegezegd dat deze hogere co2 metingen niet mogen leiden tot een hoger BPM-tarief. Voorlopig rekent men daarom de WLTP-waarde terug tot de NEDC-waarde totdat de nieuwe BPM-tarieven geïntroduceerd worden.

Toekomst

Veel fabrikanten denken dat de BPM toch fors omhoog zal gaan en maken daar nu gretig gebruik van door reclame te maken met het huidige BPM-tarief. Fiat stunt bijvoorbeeld met de reclame: ‘’Profiteer nu nog van de huidige, lage BPM.’’ Dit is een indicatie dat de auto-industrie ervan uitgaat dat het tarief omhoog zal gaan.

Is dit slechts marketing of (deels) terecht? Ik vrees het laatste: onze overheid heeft wel toegezegd dat de nieuwe meting niet tot een hoger BPM-tarief mag leiden, maar de overheid is al vaker van dergelijke beloftes teruggekomen.

Ook is er de Autobrief II van het Ministerie van Financiën, waarin men de BPM-tarieven over de periode 2017 tot en met 2020 heeft vastgelegd. In deze brief staat dat het BPM-tarief jaarlijks afbouwt doordat auto’s ieder jaar zuiniger worden, hetgeen minder co2-uitstoot en dus minder BPM betekent. Auto’s die niet zuiniger worden, blijven op hetzelfde BPM-tarief. De autonome vergroening van auto’s blijkt echter niet zo snel te stijgen als men dacht, waardoor het BPM-tarief niet daalt. Uit actuele cijfers blijkt juist dat de BPM stijgende is. Het is een combinatie van factoren die hiervoor zorgt: we kopen grotere, minder zuinige auto’s, zoals SUV-modellen. Als je daar dan ook nog een nieuwe test met de bijbehorende resultaten bij krijgt, blijkt dat de co2-uitstoot die in werkelijkheid wordt gemeten (maar wordt teruggeschroefd met een rekentool naar de oude NEDC test) toch opmerkelijk hoger uitvalt dan voorheen gemeten.

Conclusie

De WLTP test die de uitstoot berekent, wordt overal ter wereld gebruikt. De nieuwe test lijkt voor iedereen goed te zijn, behalve voor de Nederlandse auto(ver)koper. Nederlanders zullen nog vaker een tweedehandsauto kopen, omdat een nieuwe  te duur is. De auto’s zijn door deze extra belasting namelijk vele malen duurder dan elders, omdat andere landen geen BPM heffen.

Verder is al een aantal keer beloofd dat de BPM afgeschaft zou worden, zoals in de Autobrief II: de BPM zou afbouwen en tenslotte verdwijnen. Dat was al voordat de WLTP uitkomsten zo enorm bleken af te wijken van de NEDC waarden. De overheid belooft neutralisering van het BPM-tarief bij de nieuwe test, maar er is een aantal aanwijzingen die anders impliceren. Wellicht is dit een goede gelegenheid om de BPM af te schaffen, aangezien de BPM zorgt voor benadeling van Nederlandse auto(ver)kopers. Nederland is het enige land dat de BPM hanteert en daardoor worden we gediscrimineerd ten opzichte van andere lidstaten. Als je het mij vraagt, is deze BPM-kwestie allermist een gelopen race.

Achtergrondinformatie auteur:
Laura Peters (1994) is een enthousiaste  juriste met passie voor haar vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Fiscaal Recht, gecombineerd met Goederenrecht, aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hiervoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys te Tilburg, waar zij in 2016 afstudeerde. Ze heeft in haar laatste jaar de minor Bedrijfsjurist gevolgd. Hierna studeerde zij af met haar scriptie over de fiscaalrechtelijke en ondernemingsrechtelijke aspecten van het starten van een onderneming in Nevada, Verenigde Staten. Met veel passie en spontaniteit deelt ze graag haar belangstelling en kennis met je door het schrijven van Fiscale blogs. Fiscaal Recht is namelijk echt niet saai en dat laat ze je graag zien!
20180805_102807_0001 (1)

Wat staat er eigenlijk in… Artikel 7:417 BW

We nemen jou in dit nieuwe item mee in de uitleg van een wetsartikel om het onbegrijpelijke begrijpelijk te maken. We starten met het in rekening brengen van bemiddelingskosten aan een huurder door een makelaar.

Artikel 7:264 BW vs Artikel 7:417 BW
Wanneer een makelaar bemiddelt voor zowel huurder als verhuurder gelden er wettelijke regels omtrent bemiddelingskosten. Vaak is onduidelijk of er in een dergelijk geval, waarbij de huurder op zoek is naar een zelfstandige woonruimte, bemiddelingskosten (ook wel courtage) in rekening mogen worden gebracht. Hoewel dit antwoord door de meeste mensen in artikel 7:264 BW (artikel 264 van deel 7 in het Burgerlijk Wetboek) wordt gezocht, gaat dat artikel eerder over de hoogte van bemiddelingskosten.

Het artikel waar het in ons geval wel om draait is artikel 7:417 BW. In dit artikel staat in het eerste lid:
“Een lasthebber mag slechts tevens als lasthebber van de wederpartij optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de belangen van beide lastgevers is uitgesloten”.

Maar wat staat er nu echt?
Wanneer een makelaar bemiddelt voor de verhuurder en daarvoor bemiddelingskosten (courtage) in rekening brengt bij de verhuurder, mag de makelaar geen bemiddelingskosten meer vragen aan de huurder. De tekst in de zijlijn van dit wetsartikel luidt ‘Geen twee heren dienen‘, er mag dus geen courtage aan beide partijen in rekening worden gebracht.

Dit betekent niet dat er nooit bemiddelingskosten aan de huurder in rekening mogen worden gebracht. Echter, wanneer de verhuurder al bemiddelingskosten heeft voldaan, kan de huurder het door hem betaalde bedrag terugvorderen. Hoewel de wet als achterliggende doel heeft om de huurder te beschermen tegen makelaar en verhuurder, ligt de bewijslast in zo’n geval helaas wel bij de huurder.

Bemiddeling
Niet alle werkzaamheden van een makelaar vallen onder bemiddeling. Zo hoeft het enkel publiceren van een huurwoning op internet niet te betekenen dat deze makelaar voor verhuurder bemiddelt. Indien echter niet in een contract nadrukkelijk is bepaald dat er voor deze publicatie verder geen specifieke opdracht is gegeven tot bemiddeling, bestaat er wel een kans dat de rechter vooral met de huurder meedenkt en dit als bemiddeling beschouwt. Kan echter (schriftelijk) bewezen worden dat de makelaar met publicatie niet bemiddelde voor verhuurder, maar enkel in het belang van huurder handelde en de verhuurder verder niet heeft geadviseerd, is het nog steeds de huurder die de bemiddelingskosten verschuldigd is.

Redelijke kosten
De hoogte van deze bemiddelingskosten dient wel altijd redelijk te zijn en kan dan ook door de rechter worden getoetst. Niet voor alle handelingen die de makelaar voor de huurder uitvoert mogen namelijk extra kosten in rekening worden gebracht. Dit leggen wij volgende keer verder uit tijdens de behandeling van artikel 7:264 BW.

Conclusie
Het is niet ongebruikelijk om als huurder bemiddelingskosten te moeten betalen. Dit hoeft volgens de wet echter niet wanneer de makelaar ook bemiddelingskosten bij de verhuurder in rekening heeft gebracht. De bewijslast hiervoor ligt bij de huurder.

 

 

kyle-loftus-698990-unsplash

Heeft Starbucks een bittere nasmaak voor Nederland?

Tijdens deze ontzettend hete zomer genieten we massaal van een ijskoude koffie van veelal het merk Starbucks. Of ons ministerie van Financiën ook zo aan Starbucks koffie verslingerd is, betwijfel ik echter. Vermoedelijk roept Starbucks nog lang een bittere nasmaak op bij het ministerie. Hieronder lees je waarom.

Ruling
Het koffieverkeerd verhaal begint op 28 april 2008, wanneer de Nederlandse Belastingdienst een Advance Pricing Agreement (APA) sluit met Starbucks Manufacturing BV. Dit is de Nederlandse BV van de Starbucks-groep en zij heeft ongeveer 50 werknemers in dienst. De APA is een ruling. Een ruling is een document waarin belastingafspraken zijn opgenomen tussen een bedrijf en de Belastingdienst. De ruling die Starbucks Manufacturing BV met de Belastingdienst heeft gesloten, betreft belasting die Starbucks Manufacturing BV verschuldigd is over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2017. Deze afspraken worden op basis van verrekenprijzen vastgesteld, waarvoor nationale wetten en regelingen zijn. Die verrekenprijzen leiden tot een bepaalde winst die de Belastingdienst belastbaar acht.

Op zich is dit zuivere koffie, ware het niet dat Starbucks Manufacturing BV niet helemaal eerlijk is geweest over de kosten die zij bij haar zustermaatschappijen maakt. Zo claimt Starbucks Manufacturing BV een enorm bedrag te betalen aan een Engelse maatschappij, Alki LP, voor knowhow over het branden van koffie. Verder beweert Starbucks Manufacturing BV dat zij bij een in Zwitserland gevestigde zustermaatschappij, Starbucks Coffee Trading Company SARL, groene koffiebonen inkoopt tegen een enorm hoge prijs. Hier gaat het fout: de Nederlandse Belastingdienst accepteert deze extreem hoge kostenposten en spreekt op basis van deze gegevens een ruling af met Starbucks Manufacturing BV. Later blijkt dat Starbucks Manufacturing BV hierdoor in totaal over drie boekjaren 1,2 miljoen euro belasting heeft betaald, terwijl dit volgens de Europese Commissie tussen de 6 en 24 miljoen euro had moeten zijn. Hierdoor vindt de Commissie dat Nederland verboden staatssteun heeft verleend aan Starbucks Manufacturing BV.

Staatssteun?

Er is sprake van een steunmaatregel, namelijk een belastingvoordeel voor Starbucks Manufacturing BV. Dit wordt indirect bekostigd uit de Nederlandse schatkist, omdat Starbucks Manufacturing BV stelselmatig te weinig betaalt. Aangezien Starbucks Manufacturing BV deel uitmaakt van een concern dat in iedere lidstaat wel een vestiging heeft, kan deze steun een ongunstige invloed op het handelsverkeer binnen de lidstaten hebben. Tevens kreeg Starbucks Manufacturing BV door de ruling een selectief voordeel ten opzichte van andere bedrijven en werd haar financiële positie versterkt. De ruling ontslaat Starbucks namelijk van een verschuldigde belasting die zij anders had moeten betalen, waardoor de mededinging wordt vervalst of dreigt te worden vervalst.

De Europese Commissie heeft daarom in haar besluit van 21 oktober 2015 bepaald dat Nederland met deze ruling staatssteun heeft verleend aan Starbucks Manufacturing BV. Starbucks heeft volgens de Commissie veel te weinig belasting betaald. Nederland houdt daarentegen vol dat dit niet het geval is en stelt tegen dit besluit beroep in bij het Gerecht van de Europese Unie.

Gerecht van de Europese Unie
Dit brengt ons terug bij het heden, de hete zomer van 2018. Ook voor onze overheid is het een hete zomer, haar hangt immers ongeoorloofde staatssteun boven het hoofd. Op 2 juli jl. kwam de zaak voor het Gerecht van de Europese Unie. De kern van de zaak is de vraag of de methode die de Belastingdienst heeft gebruikt om de winst in Nederland van Starbucks Manufacturing BV te bepalen, tot een juiste beloning heeft geleid. Nederland voert ter verdediging drie kernpunten aan:

Nederland beargumenteert dat aan de hand van nationale wetgeving moet worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Wij kennen hiervoor het zakelijkheidsbeginsel waaraan getoetst moet worden. Dit houdt in dat door de marktwerking prijzen tot stand dienen te komen. Je hebt dus een probleem, zodra je prijzen hanteert tussen gelieerde ondernemingen die onafhankelijke bedrijven nooit zouden accepteren. Je kunt dan immers niet meer spreken van de marktwerking. Dit zie je in deze zaak duidelijk terug in de enorm hoge kosten die Starbucks Manufacturing BV beweert te maken. Aangezien de Commissie niet aan dit nationale beginsel heeft getoetst, heeft zij art. 107 lid 1 VWEU te ruim uitgelegd en de autonomie van Nederland ondermijnd, omdat zij zelf interpretatie aan art. 107 VWEU heeft gegeven. Verder is Nederland van mening dat de in de ruling vastgestelde winstbepaling wel degelijk zakelijk is en daarmee dus niet onrealistisch. De Staat heeft Starbucks Manufacturing BV vergeleken met 20 andere koffiebranderijen en zij kwamen tot eenzelfde vergelijkbare winstbepaling. Tot slot is Nederland van mening dat de concerntransacties niet relevant zijn voor de winstbepaling van Starbucks Manufacturing BV. Een deel van het geld dat de Nederlandse BV ontvangt, komt toe aan Starbucks US en dat wordt in de VS belast tegen 35%. Nederland vindt daarom dat het niet beoordeeld hoeft te worden. De Commissie vindt juist van wel.

Conclusie

Hoe zal deze hete zomer eindigen voor onze Staat? Nederland heeft haar naam niet mee: we staan al geruime tijd bekend als belastingparadijs. Rulings zijn in beginsel geen verboden staatssteun, maar als de afspraken niet overeenkomen met de realiteit, komt dit onze reputatie niet ten goede. Feit blijft, deze ruling heeft onze reputatie weinig goeds gedaan. Desalniettemin blijft het voorlopig koffiedik kijken. Het Gerecht wijst binnen een aantal maanden arrest. Hiertegen staat beroep open bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Wellicht is het tegen die tijd wat koeler en kunnen we, onder het genot van een warme kop koffie, dit verhaal vervolgen. Voor nu: geniet van je ijskoude koffie tijdens deze hitte en ik hou je graag op de hoogte van het fiscale nieuws!

Achtergrondinformatie auteur:
Laura Peters (1994) is een enthousiaste  juriste met passie voor haar vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Fiscaal Recht, gecombineerd met Goederenrecht, aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hiervoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys te Tilburg, waar zij in 2016 afstudeerde. Ze heeft in haar laatste jaar de minor Bedrijfsjurist gevolgd. Hierna studeerde zij af met haar scriptie over de fiscaalrechtelijke en ondernemingsrechtelijke aspecten van het starten van een ondernemingen in Nevada, Verenigde Staten. Met veel passie en spontaniteit deelt ze graag haar belangstelling en kennis met je door het schrijven van Fiscale blogs. Fiscaal Recht is namelijk echt niet saai en dat laat ze je graag zien!
Luchtvaartmaatschappij

Compensatie bij faillissement luchtvaartmaatschappij

Wederom zijn er een aantal luchtvaartmaatschappijen failliet gegaan. Dit heeft tot gevolg dat vluchten worden geannuleerd. Welke rechten heb jij dan als consument? Kan je hier nog compensatie voor krijgen? Een faillissement valt namelijk niet onder de dekking van de annuleringsverzekering of reisverzekering. Afhankelijk van jouw situatie zijn er wellicht andere mogelijkheden om gecompenseerd te worden.

Los ticket

Bij een los ticket heb je geen recht op compensatie. Uiteraard kan je wel jouw vordering schriftelijk indienen bij de curator, maar de kans is klein dat er genoeg geld in het faillissement overblijft om jouw vordering te voldoen. Je kunt bij de Kamer van Koophandel achterhalen wie de curator is.

Je hebt wel recht op compensatie van jouw vliegticket wanneer je bij de aankoop van de vliegticket een vliegticketverzekering hebt afgesloten. Daarvoor moet je je wenden tot de aanbieder van jouw vliegticket en melding maken van de annulering van jouw vlucht. Om aanspraak te kunnen maken op compensatie moet vaststaan dat de vlucht niet meer doorgaat en dat jij niet op andere wijze gecompenseerd kan worden.

Het kan namelijk ook voorkomen dat een andere maatschappij de vlucht op het door jou geboekte tijdstip overneemt of dat de luchtvaartmaatschappij zelf compensatie biedt aan gedupeerde reizigers. Naar aanleiding daarvan dient de aanbieder van jouw ticket een claim in bij de verzekeringsmaatschappij. Zij vergoeden de schade aan jouw aanbieder, die het vervolgens aan jou zal betalen. Er zijn echter ook aanbieders die vragen om je rechtstreeks tot de verzekeringsmaatschappij te wenden.

Deze aanvullende verzekering klinkt mooi, maar lees wel altijd goed de voorwaarden door. Bij sommige verzekeraars is het bedrag dat je terugkrijgt namelijk gemaximeerd. Een dergelijke verzekering zal waardevoller zijn als je met een onbekende kleine maatschappij naar de andere kant van de wereld vliegt, dan wanneer je met KLM naar Londen vliegt. Verder is uit onderzoek van de Europese Commissie gebleken dat reizigers met een los ticket slechts in 1 op de 1400 gevallen te maken krijgt met een faillissement.

Pakketreis of samengestelde reis

Een pakketreis is een gecombineerde reis die je bij één organisatie boekt. De losse onderdelen worden als een pakket aangeboden en de reisorganisatie is verantwoordelijk voor de volledige uitvoering van de pakketreis. Bij een samengestelde reis stel je zelf de losse onderdelen samen bij een handelaar, niet zijnde een standaard pakket. Het gaat niet om één overeenkomst, maar om afzonderlijke overeenkomsten met verschillende aanbieders via één handelaar.

Samengestelde reis

Bij een samengestelde reis is de handelaar niet verantwoordelijk voor de uitvoering van de losse onderdelen, dus ook niet voor het vervallen van jouw vlucht. Zij hoeven jou daarom geen gratis alternatief te bieden. Daarbij komt dat het meestal niet mogelijk is om de rest van je reis te annuleren, als een van de onderdelen van de samengestelde reis komt te vervallen.

Pakketreis

Wanneer op het boekingsformulier staat vermeld dat het gaat om een pakketreis, is de reisorganisatie wél verantwoordelijk voor alle losse onderdelen, waaronder de vlucht (mits zij is aangesloten bij de Stichting Garantiefonds Reisgelden). Zij is dan ook wettelijke verplicht om een andere vlucht of een alternatieve reis voor jou regelen.  Wanneer dat niet lukt, heb je recht op vergoeding van de volledige reis. Daarvoor kun je contact opnemen met de reisorganisatie.

Betaald met creditcard

Wanneer je jouw vliegticket hebt betaald met een creditcard van Visa of Mastercard, is het mogelijk om de betaling te betwisten bij de creditcardmaatschappij. Als dit wordt gehonoreerd, wordt het bedrag teruggestort op de creditcard. In geval de vlucht op hetzelfde tijdstip wordt overgenomen door een andere maatschappij, is betwisting niet mogelijk.

Betwisting kan vanaf het moment dat vaststaat dat de vlucht is geannuleerd en moet zo spoedig mogelijk worden ingediend, bij voorkeur binnen 90 dagen. De betwisting moet tot 120 dagen vanaf de beoogde vliegdatum, voorzien van persoonlijk bewijs dat de reis komt te vervallen en er geen redelijk alternatief kan worden geboden, worden ingestuurd.

Kijk voor jouw mogelijkheden naar de kopersbescherming die jouw kaartuitgever biedt.

Faillissement tussen vertrek en terugvlucht

Wat als je je al op jouw vakantiebestemming bevindt? Ook terugvluchten worden geannuleerd. Je verwacht dat er dan moet worden gezorgd voor een terugvlucht, maar dat is niet het geval. Hiervoor gelden eveneens bovenstaande regels. Heb je dus losse tickets zonder verzekering of een samengestelde reis geboekt, dan zal je zelf een enkeltje terug moeten kopen bij een andere maatschappij. Deze kosten kunnen alleen als concurrente vordering worden ingediend bij de curator. De kans dat je dat geld terug ziet, is dus klein.

Als het boeken van een nieuwe vlucht niet mogelijk is, zal je je tot de Nederlandse Ambassade moeten wenden voor advies.

Conclusie

Alleen bij het boeken van een pakketreis ben je verzekerd van compensatie bij faillissement. Voor losse tickets kun je zekerheidshalve een aanvullende verzekering afsluiten, maar weeg daarbij goed af of dit zinvol is. Je kan jezelf ook indekken door te betalen met een creditcard.

Deze blog is geschreven door: 
Deborah Kempers (1995) is een gedreven juriste met liefde voor het vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Burgerlijk Recht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daarvoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, waar zij in 2016 met genoegen afstudeerde. Ze heeft zich daar in het bijzonder gespecialiseerd in het personen- en familierecht en arbeidsrecht. Zij studeerde af met een onderzoek naar de gevolgen van de Wet werk en zekerheid voor de advisering binnen de juridische rechtspraktijk. Met veel enthousiasme deelt zij deze kennis met jou door het schrijven van artikelen voor Ladylawyer.nl.