rawpixel-586681-unsplash (1)

Facebook Pixel: van Third party naar First party cookies

Vanaf 24 oktober 2018 gaat Facebook met zijn Facebook Pixel gebruik maken van First Party cookies in plaats van Third Party cookies. In dit artikel leggen we uit wat dat voor gevolgen heeft voor jou als ondernemer die een Pixel heeft geinstalleerd.

Cookies
Cookies zijn kleine stukjes informatie die bij het bezoek van deze website worden meegestuurd aan je browser en vervolgens op de harde schijf of in het geheugen van het apparaat waarmee je mijn website bezoekt worden opgeslagen. Deze cookies zullen geen apparaten beschadigen.

Er wordt een verschil gemaakt tussen Third Party en First Party cookies.
Third Party cookies zijn eigendom van een andere website, een derde partij die gegevens wil verzamelen op jouw website. First Party cookies zijn eigendom van de website waarop deze cookies worden geplaatst.

Facebook Pixel
Met het installeren van een Facebook Pixel op jouw website wordt door Facebook bijgehouden welke pagina’s op jouw website worden bezocht – waarna je vervolgens gerichter kunt adverteren. Facebook doet dit tot nu toe als derde partij op jouw website, waardoor er Third Party cookies worden geplaatst.

Deze cookies worden echter door steeds meer browsers (zoals Safari en Firefox) geblokkeerd. Door deze blokkade kan de pixel in die browsers niet worden geladen, krijgt de pixel verkeerde statistieken en kunnen advertenties niet geoptimaliseerd worden. Ook latere conversies die uit jouw advenrtentie zijn voortgekomen, worden vaak niet goed gemeten, omdat Third Party cookies niet langer dan 24 uur worden opgeslagen als gevolg van Intelligent Tracking Prevention. Retargeting, het hele doel van een Facebook Pixel, werd dus onmogelijk gemaakt. Dit is de reden waarom Facebook vanaf 24 oktober gaat werken met First Party cookies.

Gevolgen
Er zijn hierdoor wel een aantal dingen die jij moet ondernemen wanneer jij een Facebook Pixel gebruikt. Op Facebook zelf hoef je in principe niets te doen; Facebook zorgt ervoor dat de instellingen automatisch veranderen naar First Party cookies. (Wanneer je liever hebt dat dit in de Third Party cookies blijft staan, moet je dit handmatig in de Facebook Business Manager aanpassen.)

Wat je wel dient aan te passen zijn zowel je privacyverklaring als cookiestatement op je website. Je dient met het gebruik van een Pixel te vermelden dat je deze gebruikt in je privacyverklaring. Het doel hiervan is retargeting en je grondslag is een commercieel belang. Je legt hierbij uit dat Facebook hiermee First Party (in plaats van Third Party) cookies plaatst en wat cookies doen. Daarnaast dien je in je privacyverklaring op te nemen dat Facebook doelgroepstatistieken door middel van een cookie verzamelt en je met deze gegevens gerichter advertenties kunt plaatsen. De data die door Facebook wordt verzameld met behulp van deze cookie wordt echter geanonimiseerd doorgegeven. Ook voor de bewaartermijn heeft dit consequenties; de data wordt naar Facebook verzonden zolang er sprake is van deze First Party relatie.

De Facebook Pixel is een vorm van een tracking cookie, waardoor jij ook verplicht een cookiestatement nodig hebt. Hierin vermeldt je dat je gebruik maakt van cookies door het plaatsen van een Facebook Pixel en voeg je nu dus toe dat dit een First Party cookie is. Gebruikers kunnen deze First Party cookies wel nog steeds zelf blokkeren.

Je dient deze documenten aan te passen omdat jij met deze wijziging de verantwoordelijke wordt voor de gegevens die door Facebook worden verzameld en je dit nu dus niet meer op een derde partij af kunt schuiven.

Let op
Wanneer jij gevoelige data verzamelt, dus bijvoorbeeld in de gezondheidssector of financiele sector werkzaam bent en te maken hebt met data-beperkingen, doe je er verstandig aan de instellingen terug te wijzigen naar Third Party cookies om de privacy van jouw klanten optimaal te beschermen.

 

 

 

 

rawpixel-586673-unsplash (1)

Wat betekent het belastingplan 2019 voor jou als box 1-ondernemer?

Het belastingplan 2019 brengt een aantal grote veranderingen met zich mee. Aangezien Lady Lawyer zich richt op de box 1-ondernemingen, lichten wij de voor deze groep belangrijkste veranderingen uit. De grootste veranderingen zien we in de Inkomstenbelasting. Hieronder leggen we zo duidelijk mogelijk uit wat er verandert voor jou en wat dit concreet betekent, als je dat vergelijkt met de huidige situatie. Zo kun je jezelf zo goed mogelijk voorbereiden op de belasting(kosten) van 2019.

Inkomstenbelasting

In het regeerakkoord dat kabinet Rutte 3 in 2017 sloot, bleek het kabinet plannen te hebben voor het wijzigen van het schijvenstelsel van de inkomstenbelasting. Dit gebeurde op aanraden van commissie van Dijkhuizen uit 2013. In Rutte 2 lagen deze plannen echter ook al op tafel, maar het was pas in Rutte 3 dat men hier echt mee aan de slag ging. Wat verandert er nu precies? Ga je er als ondernemer op vooruit? Hieronder een illustratie van de huidige en  toekomstige situatie.

Belangrijk om rekening mee te houden bij de schijven van de inkomstenbelasting, is het onderscheid dat wordt gemaakt tussen niet-AOW gerechtigden en AOW-gerechtigden. De AOW-gerechtigden kennen andere tarieven binnen de inkomstenbelasting. Dit onderscheid is er vanwege de draagkracht: de AOW-gerechtigden van nu hebben (meestal) geen looninkomsten meer en leven vaak van een klein pensioen. Daarbij komt het voor dat sommige ouderen enkel AOW ontvangen en geen pensioen, omdat zij bijvoorbeeld altijd voor het huishouden hebben gezorgd en dus niet deel hebben genomen aan de werkende maatschappij.  Deze generatie heeft een heel andere tijd gekend dan de werkenden nu kennen, wat betreft zekerheden,  loon, opbouw van pensioen en veilige arbeidsomstandigheden en kun je daarom niet even streng behandelen  als de huidige werkende generatie.  Omdat er toch werkenden zijn die de pensioengerechtigde leeftijd al hebben bereikt, worden de AOW-gerechtigden voor de volledigheid ook in dit artikel besproken.

2018

In 2018 kennen we voor niet AOW-gerechtigden vier schijven, waarbij de eerste en tweede schijf inclusief de premie Volksverzekeringen is. Dit ziet er als volgt uit.

Je ziet, hier spreekt men nog van vier schijven. In 2019 wordt, volgens het belastingplan dat op Prinsjesdag bekend werd gemaakt, de aanzet gegeven voor de verwezenlijking van nog slechts twee schijven. In 2021 zal deze wijziging in zijn geheel zijn doorgevoerd.

Zoals hierboven al eerder werd vermeld, maken we onderscheid tussen niet AOW-gerechtigden en AOW-gerechtigden. Hiervoor werden de niet AOW-gerechtigden al besproken. De AOW-gerechtigden geboren vóór 1 januari 1946, kennen hun eigen schijven. Deze zijn op dit moment als volgt.

Een verschil dat bij vergelijking van de schijven tussen AOW-gerechtigden en niet AOW-gerechtigden opvalt, is het veel lagere tarief dat de AOW-gerechtigden kennen in de eerste schijf. Wat je verder ziet, is dat in de tweede schijf meer inkomen toegelaten wordt, tegen een lager belastingtarief.  De derde schijf van de AOW-gerechtigden laat vervolgens wat minder toe, zodat deze op een gelijk  eindbedrag komt als dat van de derde schijf bij de niet AOW-gerechtigden.

Wat verandert er voor mij in 2019?

Voor niet AOW-gerechtigden zijn vooral de tweede en derde schijf aantrekkelijker geworden: deze gaan ieder met 2,75% omlaag, dus als je met jouw inkomen vooral in de tweede en derde schijf valt, geniet je belastingvoordeel ten opzichte van 2018. De vierde schijf daalt met 0,2%. Hier staat echter wel tegenover dat de eerste schijf met 0,10% stijgt. Vooral mensen met een inkomen dat in de hogere schijven valt genieten dus relatief meer belastingvoordeel ten opzichte van degenen met een inkomen dat de eerste of eerste twee schijven niet overstijgt. De inkomens die de eerste schijf niet teboven gaan, ervaren van deze wijziging de meeste nadelen.  De schijven zien er voor volgend jaar als volgt uit.

De AOW-gerechtigden krijgen in 2019 een hogere ouderenkorting, deze stijgt met € 160,- Verder zien we ook bij deze groep een lichte stijging van de eerste schijf, maar daling van de andere schijven.  De bijbehorende tabel staat hieronder gegeven.

Ná 2019

Doel is dat in 2021 slechts twee schijven overblijven bij niet AOW- gerechtigden. AOW-gerechtigden kennen dan nog drie schijven, met hetzelfde tarief van 18,75% vanaf 2019 voor de eerste schijf. Wat opvalt is dat men voor de schijven van 2019 nog sprak van de eis dat men als AOW-gerechtigde geboren moest zijn vóór 1946. In 2021 spreekt men van 65+ bij de schijven, hetgeen (zeer waarschijnlijk) niet samenvalt met de pensioengerechtigde leeftijd. De vastgestelde pensioengerechtigde leeftijd voor 2021 is namelijk 67 jaar. Dit betekent dat de grondslag voor de heffing in deze tabel wordt verkleind: ben je immers nog niet AOW-gerechtigd, maar wel 65+, dan geldt de tabel van de AOW-gerechtigden, terwijl je nog geen AOW-gerechtigde bent. Dit is een grondslagverbreding voor de heffing van de inkomstenbelasting, want meer mensen vallen hierdoor in de AOW-gerechtigdentabel die drie schijven bevat. Grondslagverbreding komt men op vrij veel plaatsen tegen in het belastingplan, maar voor de werknemer en box 1- ondernemer is deze relevant.

De AOW-leeftijd zal vanaf 2022 afhangen van de leeftijdsverwachting. Het is hierbij nog afwachten of men deze naar boven bijstelt, of dat men de soepele (relatief lage) leeftijdsverwachting hanteert, zoals deze bijvoorbeeld ook in het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 wordt beschreven. Hier betreft het de situatie dat een ouder zijn kinderen het huis schenkt, maar in het huis blijft wonen tot zijn dood (vruchtgebruik tot de dood). Om de waarde te bepalen van het huis, dient men het vruchtgebruik dat erop drukt, te bepalen. Hierbij gaat men bij iemand van 60 jaar ervan uit, dat deze nog maar 10 jaar te leven heeft. Aan de hand van die periode berekent men vervolgens de verschuldigde huur van de ouder aan de kinderen om het belastbaar bedrag, volgens de Successiewet, te kunnen bepalen. Dit is allemaal gebaseerd op het fictieve gegeven dat iemand van 60  jaar nog maar 10 jaar te leven heeft.  Het is echter in onze huidige samenleving geen uitzondering om ouder dan 70 jaar te worden. Hoe de wijziging van de AOW-gerechtigde leeftijd voor de inkomstenbelasting zal worden vastgesteld, is op dit moment nog onduidelijk. De niet AOW-gerechtigden krijgen in ieder geval de volgende schijven toebedeeld.

Het belastingtarief van 22,95% van de tweede schijf uit de tabel van 2018, waarvan verlaging plaatsvindt in 2019, is in 2021 geheel verdwenen. Hierdoor wordt minder inkomen verspreid over de schijven en dat kan eventueel een extra belastingverlaging betekenen voor degenen die op dit moment met hun inkomen nog wel in meerdere schijven vallen. Indien men recht op AOW heeft in 2021, zien de schijven er als volgt uit. 

Heffingskortingen

De heffingskortingen volgen de daling van de tarieven van de schijven niet: deze blijven inkomensafhankelijk, waarvan de algemene heffingskorting en arbeidskorting zullen stijgen. De lage inkomens kunnen hierdoor meer korting tegemoet zien dan in 2018, deze wordt immers hoger.  De afbouw neemt echter toe: hoe hoger het inkomen, des te minder heffingskorting.  De hogere inkomens kunnen dus minder korting claimen dan de lagere inkomens. Hier zullen de lagere inkomens er dus meer op vooruit gaan.

Aftrekposten ondernemer

Hoewel de schijven van de inkomstenbelasting omlaag gaan, is er ook een keerzijde voor de box 1-ondernemer aan verbonden. De aftrekposten worden vanaf januari 2019 beperkt: vanaf januari aanstaande zijn aftrekposten in de tweede schijf aftrekbaar tegen 49,5%. Met ingang van januari 2020 wordt dat tarief per jaar afgebouwd met 3%. Met ingang van 2023 zijn aftrekposten dan enkel nog aftrekbaar in de eerste schijf, namelijk tegen een tarief van 37%. Deze beperking zal gelden voor de volgende aftrekposten: de zelfstandigenaftrek, aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, meewerkaftrek, startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid, stakingsaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

Omzetbelasting

Wat verder verandert, is het BTW-tarief: het verlaagd tarief dat nu nog 6% bedraagt, bedraagt in 2019 9%. Het voordeel van de inkomstenbelasting zal de consument toch voelen in de portemonnee, aangezien de ondernemers hun verlaagde BTW-producten (zeer waarschijnlijk) duurder gaan prijzen om de BTW af te kunnen dragen. De BTW wordt immers doorberekend in de consumentenprijs en ondernemers  willen niet toegeven op de winst die zij, na de afdracht van BTW met het huidige tarief, op hun producten maken.  Houdt hier als ondernemer dus rekening mee, want als je de prijzen gelijk houdt, leidt de samengestelde consumentenprijs (BTW + winstmarge) voor een lager winstmarge na afdracht van de 9% BTW. Verder gaat de tabaksaccijns omhoog, dus van tabak zullen de prijzen (weer) stijgen. Voor het hoge BTW-tarief verandert er niets.

Energiebelasting

Werk je veel thuis? Let dan op de energiebelasting die bij een gemiddeld, gelijkblijvend energieverbruik per huishouden in 2019 ongeveer € 130 meer bedraagt per jaar. Het gemiddelde energieverbruik is voor 2019 vastgesteld op 1.170 m3 aardgas en 2.581 kWh elektriciteit.

Conclusie

De tarieven van de inkomstenbelasting zullen drastisch veranderen, waarbij we voortaan nog twee schijven kennen. Voor de AOW-gerechtigden worden dit drie schijven. Deze verandering brengt belastingvoordeel met zich mee, omdat er minder spreiding van inkomen is. Daar tegenover staat dat de aftrekposten die een box 1- ondernemer kent, fors zullen worden beperkt. Verder neemt de afbouw van de inkomensafhankelijke heffingskortingen toe: een hoger inkomen zal dus op minder heffingskorting kunnen rekenen. Daarnaast gaat de omzetbelasting voor het verlaagde tarief omhoog van 6% naar 9% BTW. Dit zul je, als ondernemer, door moeten berekenen in de verkoopprijs, anders geef je toe op de winst. Voor het hoge tarief verandert er niets. Werk je daarnaast veel thuis? Ben je  dan bewust van de verhoging op de energiebelasting.  Dit zijn de belangrijkste veranderingen voor de box 1- ondernemer. Heb jij naar aanleiding van deze doe-het-zelf gids van Lady Lawyer vragen over wat deze veranderingen voor jouw onderneming concreet betekenen? Onze fiscaal juriste beantwoordt ze graag.

Achtergrondinformatie auteur:
Laura Peters (1994) is een enthousiaste  juriste met passie voor haar vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Fiscaal Recht, gecombineerd met Goederenrecht, aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hiervoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys te Tilburg, waar zij in 2016 afstudeerde. Ze heeft in haar laatste jaar de minor Bedrijfsjurist gevolgd. Hierna studeerde zij af met haar scriptie over de fiscaalrechtelijke en ondernemingsrechtelijke aspecten van het starten van een onderneming in Nevada, Verenigde Staten. Met veel passie en spontaniteit deelt ze graag haar belangstelling en kennis met je door het schrijven van Fiscale blogs. Fiscaal Recht is namelijk echt niet saai en dat laat ze je graag zien!

 

 

 

 

auto BPM

Gaan we vanaf september nog meer belasting betalen?

Nu het warme weer is afgenomen en het ook al een paar keer geregend heeft, pakt men weer vaker de auto dan de fiets. Hiermee stoten we veel co2 uit. Deze uitstoot blijkt door een onjuiste test zelfs nog hoger dan vooraf berekend. De test die vanaf 2013 gebruikt werd om de co2 uitstoot van een bepaalde auto te bepalen, blijkt namelijk verre van betrouwbaar. Hierdoor klopt ook de aan de auto-eigenaar doorberekende Belasting Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) niet, want die wordt gebaseerd op de door de test gemeten co2-uitstoot.

Mede hierom is een nieuwe test in aantocht die beter meet hoeveel een auto uitstoot. Dit is op zich iets goeds: we zijn ons steeds meer bewust van het milieu. Voor Nederlanders heeft deze test echter wellicht ook nadelige gevolgen, omdat Nederland als enige land de BPM kent. Dit is een extra belasting op auto’s die gebaseerd is op de hoeveelheid gram co2 die de auto uitstoot. Het is daarom de vraag of deze nieuwe test en de resultaten die daarmee gepaard gaan gevolgen heeft voor de BPM die we bij de aanschaf van een nieuwe auto moeten betalen.

Meting co2-uitstoot

De berekening van de uitstoot werd vanaf 2013 gedaan door middel van de New European Driving Cycle (NEDC) test. Dit is een laboratoriumtest. Hierbij worden de spiegels van de auto gehaald, het reservewiel wordt verwijderd, naden worden afgeplakt, etcetera. Hierdoor heeft de auto zo min mogelijk weerstand. Daarbij komt nog dat in een laboratorium geen rekening kan worden gehouden met invloeden van buitenaf, zoals bijvoorbeeld wind. Hierdoor heeft de auto-industrie lange tijd testresultaten behaald, die in de praktijk niet haalbaar zijn. Deze onderzoeksmethode leidt dan ook tot een groot verschil in gemiddeld verbruik volgens de fabrikant en het verbruik in de praktijk.

Inmiddels is er meetapparatuur ontwikkeld die achterop een auto kan worden bevestigd. Op deze wijze kan de co2-uitstoot in de buitenlucht in een rijdende auto worden gemeten. Deze Worldwide Harmonised Light Vehicle Test Procedure (WLTP) moet ervoor zorgen dat de testresultaten beter aansluiten bij de daadwerkelijke co2-uitstoot. Dit betekent tevens dat de WLTP (test) een hogere co2-uitstoot zal weergeven dan de NEDC.

Berekening BPM

De BPM wordt gebaseerd op de co2-uitstoot, zoals deze in de tests gemeten is. Deze berekening is als volgt: Er is een starttarief van € 353,-. Daar komt per gram aan co2-uitstoot een bepaald bedrag bovenop aan de hand van een schijvenstelsel. Let wel, bestelauto’s, motoren en kampeerauto’s hebben deze gegevens over de uitstoot niet, hierbij gaat men uit van de cataloguswaarde. De BPM voor een bestelauto of kampeerauto is een percentage van de netto-catalogusprijs met een aftrek of toeslag, afhankelijk van de brandstof.

Gevolgen BPM

Het is de bedoeling dat alle nieuw verkochte personenauto’s vanaf september 2018 een WLTP-waarde hebben. In de loop van 2019 of aan het begin van 2020 worden de BPM-tarieven gebaseerd op de WLTP-goedkeuring. Aangezien deze test hogere co2 uitstoot meet, zullen er nieuwe BPM-tarieven moeten worden geïntroduceerd. Onze overheid heeft echter toegezegd dat deze hogere co2 metingen niet mogen leiden tot een hoger BPM-tarief. Voorlopig rekent men daarom de WLTP-waarde terug tot de NEDC-waarde totdat de nieuwe BPM-tarieven geïntroduceerd worden.

Toekomst

Veel fabrikanten denken dat de BPM toch fors omhoog zal gaan en maken daar nu gretig gebruik van door reclame te maken met het huidige BPM-tarief. Fiat stunt bijvoorbeeld met de reclame: ‘’Profiteer nu nog van de huidige, lage BPM.’’ Dit is een indicatie dat de auto-industrie ervan uitgaat dat het tarief omhoog zal gaan.

Is dit slechts marketing of (deels) terecht? Ik vrees het laatste: onze overheid heeft wel toegezegd dat de nieuwe meting niet tot een hoger BPM-tarief mag leiden, maar de overheid is al vaker van dergelijke beloftes teruggekomen.

Ook is er de Autobrief II van het Ministerie van Financiën, waarin men de BPM-tarieven over de periode 2017 tot en met 2020 heeft vastgelegd. In deze brief staat dat het BPM-tarief jaarlijks afbouwt doordat auto’s ieder jaar zuiniger worden, hetgeen minder co2-uitstoot en dus minder BPM betekent. Auto’s die niet zuiniger worden, blijven op hetzelfde BPM-tarief. De autonome vergroening van auto’s blijkt echter niet zo snel te stijgen als men dacht, waardoor het BPM-tarief niet daalt. Uit actuele cijfers blijkt juist dat de BPM stijgende is. Het is een combinatie van factoren die hiervoor zorgt: we kopen grotere, minder zuinige auto’s, zoals SUV-modellen. Als je daar dan ook nog een nieuwe test met de bijbehorende resultaten bij krijgt, blijkt dat de co2-uitstoot die in werkelijkheid wordt gemeten (maar wordt teruggeschroefd met een rekentool naar de oude NEDC test) toch opmerkelijk hoger uitvalt dan voorheen gemeten.

Conclusie

De WLTP test die de uitstoot berekent, wordt overal ter wereld gebruikt. De nieuwe test lijkt voor iedereen goed te zijn, behalve voor de Nederlandse auto(ver)koper. Nederlanders zullen nog vaker een tweedehandsauto kopen, omdat een nieuwe  te duur is. De auto’s zijn door deze extra belasting namelijk vele malen duurder dan elders, omdat andere landen geen BPM heffen.

Verder is al een aantal keer beloofd dat de BPM afgeschaft zou worden, zoals in de Autobrief II: de BPM zou afbouwen en tenslotte verdwijnen. Dat was al voordat de WLTP uitkomsten zo enorm bleken af te wijken van de NEDC waarden. De overheid belooft neutralisering van het BPM-tarief bij de nieuwe test, maar er is een aantal aanwijzingen die anders impliceren. Wellicht is dit een goede gelegenheid om de BPM af te schaffen, aangezien de BPM zorgt voor benadeling van Nederlandse auto(ver)kopers. Nederland is het enige land dat de BPM hanteert en daardoor worden we gediscrimineerd ten opzichte van andere lidstaten. Als je het mij vraagt, is deze BPM-kwestie allermist een gelopen race.

Achtergrondinformatie auteur:
Laura Peters (1994) is een enthousiaste  juriste met passie voor haar vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Fiscaal Recht, gecombineerd met Goederenrecht, aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hiervoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys te Tilburg, waar zij in 2016 afstudeerde. Ze heeft in haar laatste jaar de minor Bedrijfsjurist gevolgd. Hierna studeerde zij af met haar scriptie over de fiscaalrechtelijke en ondernemingsrechtelijke aspecten van het starten van een onderneming in Nevada, Verenigde Staten. Met veel passie en spontaniteit deelt ze graag haar belangstelling en kennis met je door het schrijven van Fiscale blogs. Fiscaal Recht is namelijk echt niet saai en dat laat ze je graag zien!
bruno-cervera-354147-unsplash

De juridische kant van influencer marketing

Er wordt steeds vaker gebruik gemaakt van influencer marketing, door zowel grote als kleine merken. Logisch ook, want gebleken is dat 71% van de mensen eerder geneigd is iets te kopen wanneer het door iemand anders wordt aangeraden.

Duidelijke onderlinge afspraken worden echter helaas vaak niet gemaakt en ook het reclamerecht komt vaak in het geding. In deze blog leg ik jou de juridische aspecten van influencer marketing uit.

Overeenkomst
Beide partijen (zowel de adverteerder/het merk als de influencer) zijn verantwoordelijk voor het naleven van de regels. De adverteerder kan zich dus in geen geval beroepen op de kennis van de influencer over het reclamerecht.

Maar niet alleen het reclamerecht is van belang. Er ontstaan vaak misverstanden over de inhoud van de content, frequentie en tijdspanne van het plaatsen van de gesponsorde content. Rechten en plichten van beide partijen dienen dan ook duidelijk te worden vastgelegd in een overeenkomst om deze misverstanden te voorkomen en beide partijen een eerlijk en juridisch correct voordeel te bieden uit de samenwerking.

Reclamerecht – Reclamecode Social Media

Reclame mag niet misleidend zijn. Dit houdt bij influencer marketing met name in dat de reclame herkenbaar moet zijn.

Herkenbaar zijn betekent in de meeste gevallen dat de reclame expliciet vermeld moet worden, het moet duidelijk zijn dat de content in opdracht is gemaakt van de adverteerder. Reclame moet namelijk herkenbaar zijn en als dusdanig vermeld worden indien er sprake is van een relevante relatie. Deze relevante relatie ontstaat wanneer de adverteerder/het merk voordeel biedt aan de influencer. Van voordeel spreken we al snel; er hoeft namelijk geen geldbedrag tegenover te staan. Het ontvangen van gratis producten voor een review of een korting is ook een vorm van het verkrijgen van voordeel. Daarnaast hoeft het voordeel nog niet direct aanwezig te zijn, ook een kans op voordeel wordt in dit geval aangemerkt als voordeel.

De beste manier om kenbaar te maken dat het om een reclamepost of gesponsorde content gaat, is om dit in of bij de post te melden. Op Instagram zie je dit vaak in de vorm van de hashtag #spon of een regel als “Dit product heb ik gekregen van (adverteerder).” In een video (bijvoorbeeld op YouTube) wordt er verstandig aan gedaan dit niet alleen in de tekst behorende bij de video te zetten, maar ook in de video zelf. Je mag het dus niet snel even ergens verstoppen.

In de Reclamecode Social Media wordt nogmaals benadrukt dat de adverteerder er verantwoordelijk voor is dat de influencer van deze regels op de hoogte is en de post dus wordt voorzien van de juiste herkenbaarheid. Wij raden aan deze regels daarom op te nemen in de influencerovereenkomst.

Overige rechten en plichten om vast te leggen

Ook zonder de Reclamecode Social Media gaat het vaak fout. Er ontstaan dan namelijk misverstanden tussen de partijen zelf, omdat zij vooraf niet duidelijk hebben vastgelegd wat de rechten, plichten en verwachtingen van beide partijen zijn. Hieronder bespreken we de meestgemaakte fouten, die je kunt voorkomen door onderstaande zaken goed vast te leggen in een influencerovereenkomst.

Deadlines

Om verwarring te voorkomen is het verstandig om de inhoud van de sponsordeal zo duidelijk mogelijk vast te leggen.

Zorg dat er geen misverstanden kunnen ontstaan wat betreft de duur van de campagne, de deadlines wanneer content ter beoordeling aangeleverd dient te worden, data (en tijden) waarop gesponsorde content geplaatst moet worden en bij langdurige opdrachten hoeveel tijd er tussen twee verschillende posts in komt te zitten.

Targets

Leg duidelijk vast wat de adverteerder precies van de influencer verwacht. Welke targets dienen gehaald te worden? Is er een bepaald verkoopdoel of hebben we het enkel over vergroten van bekendheid? Leg niet alleen het doel zo duidelijk mogelijk vast in de overeenkomst, maar ook wat de gevolgen zijn van het niet behalen van de overeengekomen targets.

Content

Zijn er daarnaast bepaalde woorden, zinnen of uitspraken die de influencer moet noemen of juist dingen die vermeden dienen te worden? Ook dit dient goed vastgelegd te worden zodat dit voor beide partijen duidelijk is.

Daarnaast bepaal je vooraf goed welk medium er wordt gebruikt voor de reclame. Wordt er een Instagram post gemaakt? Een YouTube video? Ook wil je dan wellicht nog afspreken hoe lang zo’n video moet gaan duren.

Auteursrecht

De influencer verkrijgt in de basis de wettelijke auteursrechten over de gesponsorde content, zij maakt tenslotte de content. De adverteerder mag deze content enkel overnemen op eigen social media kanalen en andere promotiemogelijkheden met toestemming van de influencer. Dit dien je vooraf dus goed vast te leggen in de overeenkomst. Embedden van de content mag overigens wel zonder toestemming.

Je krijgt er als adverteerder dan nog wel mee te maken dat het niet is toegestaan om enkel positieve reclame te laten zien op bijvoorbeeld je website. Dit kan namelijk weer misleidend zijn. Je mag dus niet alleen positieve reviews laten zien. Daarnaast mag je negatieve reviews ook niet zomaar verwijderen.

Exclusiviteit

Een goede marketingstrategie hangt vooral samen met de kwaliteit van de influencer. Als adverteerder wil je er dan ook voor zorgen dat ‘jouw’ influencer niet tevens werkt met een van jouw concurrenten. Leg in je overeenkomst daarom ook vast of er sprake is van exclusiviteit en hoe lang sprake is van deze exclusiviteit.

En ook nog…

Vergeet daarnaast ook geen standaardzaken in de overeenkomst op te nemen. Kan de samenwerking worden beeindigd wanneer er sprake is van een wanprestatie of met een bepaalde opzegtermijn? Geldt er een geheimhoudingsplicht voor de influencer wanneer deze toegang heeft tot gevoelige bedrijfsinformatie tijdens de campagne? Wat ga je regelen in overmachtssituaties? En misschien wel een van de belangrijkste; maak duidelijke afspraken over de vergoeding en wanneer deze plaatsvindt.

Lady Lawyer kan zowel adverteerders als influencers helpen met het opstellen van een influencerovereenkomst. Mail voor de mogelijkheden naar legal@ladylawyer.nl.

william-iven-22449-unsplash

Beroeps- en Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering – Deel II

In deel 1 is al uitgewerkt wat het verschil is tussen een beroepsaansprakelijkheidsverzekering en een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. In dit deel wordt uiteengezet waar je op moet letten bij het afsluiten van een beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Het gaat hierbij om algemene aandachtspunten. Een en ander zal afhangen van de branche waarin je werkt.

Aandachtspunten

Er zitten grote verschillen in de premies voor zowel de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering als de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Dat een bepaalde verzekeraar een stuk duurder is dan andere verzekeraars betekent niet per definitie iets slechts. De kans is aanwezig dat deze verzekeraar een betere dekking geeft of dat hier jouw eigen risico een stuk lager ligt. Ook is bij sommige verzekeraars een maximum verzekerd bedrag vastgesteld. In het algemeen is schade die is ontstaan voorafgaand aan het afsluiten van de verzekering niet meeverzekerd. Wel zijn er verzekeraars waarbij je de verzekering kunt uitbreiden, zodat ook deze schade meeverzekerd is (bijvoorbeeld Nationale Nederlanden). Voor zover jouw schade dit bedrag te boven gaat, moet je dit alsnog zelf betalen. Bij het kiezen van een verzekering moet je dus niet enkel rekening houden met de hoogte van de premie, maar juist vooral letten op de voorwaarden waaronder de verzekering wordt aangeboden. Let er daarbij ook op hoe hoog jouw eigen risico is in geval van schade en welke schade onder het eigen risico valt of juist daarbuiten.

Voorbeeld voorwaarden

Aan de hand van onderstaand voorbeeld van een willekeurige bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering, laat ik zien waarom het belangrijk is goed te kijken naar de voorwaarden, dekking en het eigen risico van zowel de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering als een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering X

Verzekering in Nederland én in het buitenland (m.u.v. Canada en de Verenigde Staten)

Verzekerd is:

  • Schade aan personen, losse spullen en onroerend goed;
  • Schade uit productaansprakelijkheid;
  • Schade door een meewerkend familielid, uitzendkracht, stagiair of vrijwilliger;
  • Werkgeversaansprakelijkheid; verwonding, ziekte of overlijden van een medewerker;
  • Schade aan spullen van een medewerker; en
  • Schade aan personen en losse spullen bij plotselinge verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en ondergronds water op een werklocatie.

Niet verzekerd is:

  • Schade aan jezelf of jouw bedrijf;
  • Schade of kosten die je maakt om jouw dienst of product opnieuw te leveren;
  • Schade die met opzet door jou of je medewerker(s) is veroorzaakt; en
  • Schade bij milieuverontreiniging.

Eigen risico

De hoogte van het eigen risico staat op de polis van jouw bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Je betaalt geen eigen risico voor kosten voor verweer, rechtshulp bij een strafproces of tuchtprocedure, geschiloplossing zonder rechter of voor de kosten van een expert.

Opvallendheden

Als je met jouw bedrijf enkel werkzaam bent in Nederland, is deze verzekering te uitgebreid en betaal je waarschijnlijk teveel premie voor jouw situatie. Het is voor jou namelijk niet nodig om je voor schade in het buitenland in te dekken als je daar geen werkzaamheden verricht. Bekijk dus of er een soortgelijke goedkopere verzekering wordt aangeboden, waarbij je je alleen in Nederland verzekert. Als het verschil nihil blijkt te zijn, kan het natuurlijk nooit kwaad om uitgebreid verzekerd te zijn. Andersom is deze verzekering uiteraard ook niet geschikt voor jou als je jouw diensten juist in Canada of de Verenigde Staten aanbiedt.

Verder ziet de dekking van deze verzekering er goed uit. De standaard risico’s zijn verzekerd en uitgesloten. Let wel, als jij een bedrijf hebt waarin je milieurisico’s loop, moet je op zoek naar een verzekering waarin deze risico’s niet of in mindere mate zijn uitgesloten. Je kan er ook voor kiezen daarvoor een aanvullende verzekering af te sluiten. Onder andere ASR en Reaal bieden een milieuschadeverzekering.

Afhankelijk van de hoogte, is dit een mooi eigen risico, omdat er een aantal kostenposten worden uitgesloten van het eigen risico. Dat is uiteraard beter dan een verzekering met een eigen risico zonder uitzonderingen.

Premie

De hoogte van de premie voor beide een aansprakelijkheidsverzekering wordt door een aantal factoren bepaald. Denk daarbij aan:

  • Totale jaarloon
  • Bruto jaaromzet
  • Eigen risico
  • Bedrijfsactiviteiten

Welke bedrijfsactiviteiten jij verricht, is van belang voor de hoogte van de premie, omdat dit een ander risicoprofiel oplevert. Je kunt je voorstellen dat het risicoprofiel van een aannemer voor een verzekeraar een stuk hoger ligt dan dat van een socialmedia-expert.

ZZP’er

Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering

Een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering is  in beginsel niet verplicht. Het komt echter steeds vaker voor dat opdrachtgevers verlangen dat de ZZP’er aan wie zij werk uitbesteden toch een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering afsluit, zodat de opdrachtgever niet onverhoopt met een schadepost achterblijft.

Er zijn verzekeraars die speciale verzekeringen voor ZZP’ers aanbieden (zoals: ZEKUR.nl, Centraal Beheer en Interpolis). Let ook hierbij weer goed op de voorwaarden en vergelijk ze met andere verzekeringen binnen deze branche. Focus niet alleen op de te betalen premie. Het is namelijk niet gezegd dat een ZZP-bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering de beste dekking biedt voor jouw situatie.

Beroepsaansprakelijkheidsverzekering

Centraal Beheer biedt eveneens een beroepsaansprakelijkheidsverzekering aan. Bij ZEKUR en Interpolis kun je voor beroepsaansprakelijkheid een aanvullende dekking op jouw bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering afsluiten. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Centraal Beheer kan echter slechts voor een beperkt aantal beroepen worden afgesloten, waaronder architecten, ingenieurs en ICT-specialisten. Onder andere medische beroepen zijn uitgesloten van deze verzekering. VvAA biedt juist speciaal voor deze beroepen een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

Conclusie

Neem de tijd voor het kiezen van een verzekering die bij jou past. Het aanbod is overweldigend, maar zeer verschillend. Vergelijk niet alleen de te betalen premie, maar ook de voorwaarden (dekking) en de hoogte van het eigen risico. Als je al in gedachten hebt hoe jouw verzekering eruit moet komen te zien, kun je ook via vergelijkingssites bekijken welke aanbieder het beste bij jouw wensen past (denk aan: www.premie-vergelijken.nl, www.cheapp.nl en www.beterverzekeren.nl) of kiezen voor een verzekeraar waarbij jij zelf jouw verzekering kunt samenstellen (bijvoorbeeld Reaal). Tot slot doe je er ter vergelijking goed aan om bij verschillende verzekeringsmaatschappijen een offerte aan te vragen en je goed te laten adviseren.

Deborah Kempers (1995) is een gedreven juriste met liefde voor het vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Burgerlijk Recht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daarvoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, waar zij in 2016 met genoegen afstudeerde. Ze heeft zich daar in het bijzonder gespecialiseerd in het personen- en familierecht en arbeidsrecht. Zij studeerde af met een onderzoek naar de gevolgen van de Wet werk en zekerheid voor de advisering binnen de juridische rechtspraktijk. Met veel enthousiasme deelt zij deze kennis met jou door het schrijven van artikelen voor Ladylawyer.nl.
onredelijke betaaltermijnen

Wet tegengaan onredelijk lange betaaltermijnen

Op 1 juli 2017 is de Wet tegengaan onredelijk lange betaaltermijnen in werking getreden, met een overgangsperiode van één jaar. Per 1 juli 2018 is de wet in haar volledigheid van toepassing. Het doel van deze wet is om kleine ondernemers te beschermen tegen een lange betalingstermijn in overeenkomsten met grote ondernemers.

Voorgeschiedenis en aanleiding wet

Al in 2011 is op Europees niveau een richtlijn overeengekomen om de rechten van leveranciers te beschermen tegen late betalingen. De Europese Richtlijn 2011/7/EU van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties bepaalt dat de overheid, non-profit organisaties en bedrijven facturen uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur moeten betalen. Het is bedrijven binnen deze richtlijn echter toegestaan om langere betalingstermijnen overeen te komen, met een maximum van 60 dagen. Termijnen van langer dan 60 dagen zijn alleen toegestaan wanneer dit uitdrukkelijk schriftelijk is overeengekomen en de termijn niet kennelijk onbillijk is.

In de praktijk blijkt dat deze lange betalingstermijnen problemen opleveren voor zzp’ers en mkb-leveranciers. De grootbedrijven gebruiken hun leveranciers als bank en wentelen hun financieringslasten af op de leveranciers. Leveranciers moeten de geleverde producten voorfinancieren en raken daardoor in de problemen.

Inhoud wet

Deze wet zorgt ervoor dat geen langere betalingstermijn dan 60 dagen kan worden overeengekomen. Wordt dat toch gedaan, dan is die betalingstermijn nietig (artikel 3:41 BW) en wordt deze van rechtswege omgezet in een betalingstermijn van 30 dagen (artikel 6:119a lid 2 BW). Wordt de factuur vervolgens pas na 30 dagen betaald, is van rechtswege de wettelijke handelsrente (8%) verschuldigd over de termijn die de 30 dagen overschrijdt. Er kan per overeenkomst geen afstand worden gedaan van de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente. Een dergelijke afstandsverklaring zal door de rechter nietig worden verklaard. Wel kan een contractuele rente worden afgesproken, maar deze doet niets aan de wettelijke handelsrente af. De vordering van de wettelijke handelsrente is gedurende 5 jaar afdwingbaar (artikel 3:307 lid 1 BW). Dat biedt ondernemers de kans om eventueel na het eindigen van de handelsrelatie alsnog naar de rechter te gaan.  

Wet per 1 juli 2017

Vanaf 1 juli 2017 geldt de regeling omtrent de beperking van betalingstermijnen voor alle nieuwe overeenkomsten. In overeenkomsten gesloten na 1 juli 2017 mag dus geen langere betalingstermijn dan 60 dagen worden opgenomen. Wordt dat wel gedaan, dan is deze termijn nietig en wordt deze van rechtswege omgezet in een betalingstermijn van 30 dagen. Voor bestaande overeenkomsten is een overgangsregeling tot 1 juli 2018 opgenomen. Partijen hebben dus een jaar de tijd om hun overeenkomsten aan te passen op het nieuwe recht.

Wet per 1 juli 2018

Vanaf 1 juli 2018 geldt de Wet tegengaan onredelijk lange betaaltermijnen ook voor bestaande overeenkomsten. Een betalingstermijn van langer dan 60 dagen in overeenkomsten gesloten vóór 1 juli 2017 zijn vanaf dat moment eveneens nietig. De betalingstermijn wordt van rechtswege omgezet in een termijn van 30 dagen.

Waar moet je als ondernemer op letten?

Voor de grote ondernemer is het van belang dat de inhoud van de overeenkomst duidelijk is. Zorg dat uit de overeenkomst duidelijk blijkt welke betalingstermijn wordt gehanteerd, wanneer die begint te lopen en wanneer de prestatie (contractueel gezien) is geleverd. Zo voorkom je dat je wellicht ten onrechte de wettelijke handelsrente verschuldigd bent.  

Kleine bedrijven hebben door deze wet een sterkere positie. Betalingstermijnen van meer dan 60 dagen kunnen als ongeschreven worden gehouden en worden aangemerkt als een betalingstermijn van 30 dagen. Wanneer de factuur vervolgens niet binnen 30 dagen na ontvangst wordt betaald, kun je als kleine ondernemer aanspraak maken op de verschuldigde wettelijke handelsrente en incassokosten. Je doet er dus goed aan (bestaande) contracten te controleren op betalingstermijnen en de wederpartij op deze nieuwe wet te wijzen als zij in overtreding is.

De wet zal in 2019 worden geëvalueerd.

Deze blog is geschreven door: 
Deborah Kempers (1995) is een gedreven juriste met liefde voor het vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Burgerlijk Recht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daarvoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, waar zij in 2016 met genoegen afstudeerde. Ze heeft zich daar in het bijzonder gespecialiseerd in het personen- en familierecht en arbeidsrecht. Zij studeerde af met een onderzoek naar de gevolgen van de Wet werk en zekerheid voor de advisering binnen de juridische rechtspraktijk. Met veel enthousiasme deelt zij deze kennis met jou door het schrijven van artikelen voor Ladylawyer.nl.
Facebook

Facebook Insights: Beheerder pagina mede-verantwoordelijk voor de privacy

Het Europese Hof van Justitie heeft op 5 juni 2018 een uitspraak gedaan  in een Duitse zaak omtrent privacy op een pagina van Facebook.

Wat was er aan de hand
Een Duits bedrijf werd door de Duitse privacywaakhond (bij ons de Autoriteit Persoonsgegevens) bevolen hun Facebookpagina offline te halen. Er was namelijk niet aan de bezoekers gemeld dat de paginabeheerder met door Facebook geplaatste cookies bezoekersgegevens verwerkte. Het Duitse bedrijf spande een zaak aan met de stelling dat Facebook hiervoor verantwoordelijk was.

Facebook Insights
Facebook plaats cookies door het gebruik van Facebook Insights. Deze cookies blijven zonder actieve verwijdering twee jaar actief en hebben als doel enerzijds het advertentiesysteem van Facebook verbeteren en anderzijds releverante content aan kunnen bieden voor beheerders.

(Zoals blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier, worden de gegevensverwerkingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn hoofdzakelijk uitgevoerd door het plaatsen, door Facebook, op de computer of op ieder ander apparaat van de personen die de fanpagina hebben bezocht, van cookies die tot doel hebben informatie op de webbrowsers op te slaan en gedurende twee jaar actief blijven indien ze niet worden gewist. Uit het dossier komt tevens naar voren dat Facebook, in de praktijk, de informatie die in cookies is opgeslagen met name ontvangt, opslaat en verwerkt bij het bezoek van een persoon aan „de Facebook-[diensten], waaronder [de] website en apps [van Facebook] of als [iemand] andere websites en apps bezoekt die gebruikmaken van Facebook-[diensten]”. Daarenboven kunnen ook andere entiteiten, zoals partners van Facebook of zelfs derden, „cookies op de Facebook-[diensten] gebruiken om [rechtstreeks aan dit sociale netwerk] en de bedrijven die adverteren op Facebook [diensten] te verlenen”.
Deze verwerkingen van persoonsgegevens hebben met name tot doel om enerzijds Facebook in staat te stellen het advertentiesysteem dat zij via haar netwerk verspreidt te verbeteren en anderzijds de beheerder van de fanpagina in staat te stellen om met het oog op het beheer van de promotie voor zijn activiteit statistieken te verkrijgen die Facebook aan de hand van bezoeken aan deze pagina heeft opgesteld, waardoor hij bijvoorbeeld te weten kan komen wat het profiel is van de bezoekers die zijn fanpagina appreciëren of zijn applicaties gebruiken, zodat hij hun relevantere content kan aanbieden en functiemogelijkheden kan ontwikkelen die hen mogelijk meer interesseren.)

Verwerkingsverantwoordelijke
 De verwerkingsverantwoordelijke is degene die het doel en de middelen van de verwerking bepaalt. Dit kan echter betrekking hebben op meerdere deelnemers, waardoor meerdere personen verantwoordelijk kunnen zijn voor een verwerking.

Facebook
Het staat in de zaak niet ter discussie dat Facebook het doel en de middelen bepaalt en daarmee verwerkingsverantwoordelijke is.

(In het onderhavige geval moeten Facebook Inc. en, wat de Unie betreft, Facebook Ireland worden beschouwd als degenen die primair het doel van en de middelen voor de verwerking van de persoonsgegevens van de Facebookgebruikers en van de personen die de fanpagina’s op Facebook bezoeken vaststellen en dus onder het begrip „voor de verwerking verantwoordelijke” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 95/46 vallen, hetgeen in deze zaak niet wordt betwijfeld.)

Paginabeheerder
Met het maken van een Facebookpagina sluit je een overeenkomst met Facebook, waarmee je Facebook toestemming geeft, of in ieder geval de mogelijkheid biedt, deze cookies te plaatsen. De beheerder van een pagina kan met filters en instellingen vaststellen welke statistieken moeten worden opgesteld en is daardoor mede-verantwoordelijk. De beheerder kiest hiermee namelijk ook het doel van de verwerking. Gezamenlijke verantwoordelijkheid betekent echter geen gelijkwaardige verantwoordelijkheid.

(Deze beheerder kan, met behulp van filters die hem door Facebook ter beschikking worden gesteld, criteria vaststellen aan de hand waarvan deze statistieken moeten worden opgesteld en zelfs de categorieën personen aanwijzen wier persoonsgegevens door Facebook zullen worden geëxploiteerd. Dientengevolge draagt de beheerder van een fanpagina op Facebook bij aan de verwerking van persoonsgegevens van de bezoekers van zijn pagina.’
In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de beheerder van een fanpagina op Facebook, zoals Wirtschaftsakademie, door het vastleggen van instellingen naargelang van, met name, zijn doelpubliek en van doelstellingen voor het beheer of de promotie van zijn activiteiten, deelneemt aan de vaststelling van het doel van en de middelen voor de verwerking van de persoonsgegevens van de bezoekers van zijn fanpagina. Hiervoor moet deze beheerder, in casu, worden aangemerkt als verantwoordelijke binnen de Unie, gezamenlijk met Facebook Ireland, voor deze verwerking, in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 95/46.)

Geanonimiseerd
De gegevens worden geanonimiseerd doorgegeven aan de beheerder van de pagina, maar dat doet niets af aan het feit dat de verwerking plaatsvindt en de cookies worden geplaatst bij de bezoeker.

Oplossing
Facebook Insights uitschakelen oftewel Facebook geen toestemming geven de cookies te plaatsen. Op het moment van schrijven hebben wij helaas nog niet achterhaald hoe je dit kunt doen, maar zodra wij dat weten zullen we dit artikel natuurlijk updaten. Tot die tijd is het dus van belang je bezoekers te informeren over deze verwerking. Je doet dat door de verwerking in je privacyverklaring en cookiestatement op te nemen. Dit privacybeleid kun je vervolgens uploaden op je Facebookpagina (pagina – info – privacybeleid uploaden).

(De volledige uitspraak is terug te vinden onder jurisprudentie nummer  ECLI:EU:C:2018:388)

Beroepsaansprakelijkheid

Beroeps- en Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering – Deel I

We maken allemaal wel eens fouten, ook op ons werk. Voor werknemers is dat niet zo’n probleem, omdat hun werkgever daarvoor zal worden aangesproken. Maar hoe moet je daar als ondernemer mee omgaan? Lees hier de inleiding in verzekeringen voor aansprakelijkheid.

Een opdrachtgever kan jou aansprakelijk stellen wanneer jij bijvoorbeeld een onjuist of gebrekkig advies geeft of nalatigheid bent waardoor hij schade lijdt. De opdrachtgever mag er namelijk vanuit gaan dat jij voldoende kennis en ervaring hebt om een opdracht tot een goed einde te brengen. De schade die opdrachtgevers lijden door een door jou gemaakte beroepsfout, kun je verzekeren met een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Voor adviserende beroepen zal het hier meestal gaan om financiële (vermogens-)schade, maar ook letselschade en zaakschade is denkbaar.

Bij beroepsfouten die onder deze verzekering vallen kun je denken aan een advocaat die niet op de termijnen let, waardoor een vordering verjaart of er geen beroep meer kan worden ingesteld. Hierdoor kan de cliënt vermogensschade lijden. Het kan een IT-er overkomen dat er een fout in de door hem gemaakte software zit, waardoor het logistieke systeem van de klant niet meer werkt en hij niet meer kan leveren. Bij letselschade door een beroepsfout kun je denken aan een arts die een medische fout maakt, waardoor iemand lichamelijk letsel oploopt. Dergelijke schade kan ook worden veroorzaakt door een fout in de berekening van een architect, waardoor een (gedeelte van een) gebouw instort. Waarschijnlijk raken de spullen die in dat gebouw stonden ook beschadigd, zodat er ook nog eens  sprake is van zaakschade.

Meer algemene risico’s worden gedekt door een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Het gaat dan om gevallen waarin jij of jouw werknemer tijdens het uitoefenen van werkzaamheden schade toebrengt aan personen of zaken bij jouw opdrachtgever. Deze verzekering ziet op:

Algemene aansprakelijkheid

Denk hierbij aan het omstoten van een kop koffie over de apparatuur van een klant of het kwijtraken/verliezen van een zaak van de opdrachtgever. Ook de door jouw werknemers veroorzaakte schade valt hieronder.

Dienstaansprakelijkheid

Bij dienstaansprakelijkheid gaat het om een gebrek in de geleverde dienst. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een installatie- of montagefout.

Productaansprakelijkheid

Hierbij kun je denken aan speelgoed dat onderdelen loslaat en daardoor stikgevaar vormt voor kinderen. De schade die hieruit voortvloeit valt onder de productaansprakelijkheid. Hiervoor kan de fabrikant van een eindproduct of een onderdeel daarvan, een producent van een grondstof of – wanneer niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is – elke leverancier van het product worden aangesproken.

Werkgeversaansprakelijkheid

Deze vorm van aansprakelijkheid ziet op door een werknemer geleden schade door een ongeval in de uitoefening van zijn werkzaamheden, een bedrijfsongeval dus. Ook aansprakelijkheid voor beroepsziekten valt onder de werkgeversaansprakelijkheid.

De bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering dekt materiële schade, letselschade en vermogensschade. Het dekt de daadwerkelijke schade aan materialen of personen. De verzekering keert niet uit als je opzettelijk iets vernielt of als het om jouw eigen spullen gaat.

Wanneer je in bedrijf of beroep aansprakelijk wordt gesteld, is een WA-verzekering niet voldoende, omdat deze verzekering alleen privé dekking biedt. Met een beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering kun jij jezelf ook op professioneel gebied verzekeren. Een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven is niet verplicht, maar wel verstandig. Daarbij vormt de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering een basisverzekering, nu deze de algemene risico’s dekt. De beroepsaansprakelijkheidsverzekering kan afhankelijk van jouw beroep echter ook van groot belang zijn. Denk daarbij aan adviserende beroepen zoals juristen en accountants, maar ook aan medische beroepen, waarin je voor schade door een medische fout aansprakelijk kan worden gesteld.

Buiten deze verzekeringen is het onder omstandigheden mogelijk jouw aansprakelijkheid in de algemene voorwaarden te beperken. Of en in hoeverre dit voor jou mogelijk is, zoekt Lady Lawyer graag voor je uit.

In de volgende blog gaan wij verder in op waar je een beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering af kunt sluiten met bijbehorende voor- en nadelen.

Deze blog is geschreven door:
Deborah Kempers (1995) is een gedreven juriste met liefde voor het vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Burgerlijk Recht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daarvoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, waar zij in 2016 met genoegen afstudeerde. Ze heeft zich daar in het bijzonder gespecialiseerd in het personen- en familierecht en arbeidsrecht. Zij studeerde af met een onderzoek naar de gevolgen van de Wet werk en zekerheid voor de advisering binnen de juridische rechtspraktijk. Met veel enthousiasme deelt zij deze kennis met jou door het schrijven van artikelen voor Ladylawyer.nl.
Emailmarketing

E-mailmarketing onder de AVG

De AVG houdt de gemoederen nog steeds flink bezig, zo ook op e-mailgebied. Want; van wie mag je een e-mailadres nog gebruiken? Wie mag je nu nog wel en niet mailen van je huidige mailinglist? Is acquisitie nog wel mogelijk? En is een double opt-in echt verplicht? Ik neem je mee in e-mailmarketing onder de AVG.

Persoonsgegevens verwerken

Een e-mailadres kan in veel gevallen als persoonsgegeven worden beschouwd, namelijk wanneer je dit e-mailadres terug kunt herleiden naar een bepaald natuurlijk persoon. Dit is niet alleen zo wanneer de naam van die natuurlijke persoon letterlijk in het e-mailadres terug komt. Vanaf 25 mei kunnen ook zakelijke e-mailadressen als persoonsgegeven worden beschouwd, wanneer steeds zelfde persoon dit e-mailadres beheert. Dit is bij de meeste eenmanszaken het geval.

Wanneer je een bericht wilt sturen naar dit e-mailadres, verwerk je daarmee een persoonsgegeven. En voor het verwerken van een persoonsgegeven heb je een juridische grondslag nodig.

Klantrelatie

Wanneer je een klantrelatie hebt, is deze grondslag gelukkig heel makkelijk aanwezig. Je slaat het e-mailadres van jouw klant op om te kunnen communiceren over de opdracht en vaak ook om de factuur te versturen. Jouw grondslag voor het verwerken van het e-mailadres van jouw bestaande klant is dan ook ‘de uitvoering van de overeenkomst’. Aan jouw klanten hoef je dan ook niet opnieuw toestemming te vragen om hen te mogen blijven mailen.

Koude acquisitie

Wanneer je echter potentiele klanten wilt benaderen over jouw diensten en/of producten, kun je de grondslag van de overeenkomst niet gebruiken, simpelweg omdat er (nog) geen overeenkomst is. Een niet-algemeen e-mailadres (want het gaat hier natuurlijk wel nog steeds om persoonsgegevens) mag je alleen gebruiken voor dat doel waarvoor het e-mailadres is verstrekt.

Wanneer jij een e-mailadres hebt verkregen voor een ander doel dan koude acquisitie, mag je dus niet zomaar een e-mail sturen om jouw diensten of producten aan te bieden.

Dit is ook het geval met freebies. We zagen het afgelopen jaar ontzettend veel ondernemers die freebies aanboden; een gratis checklist bijvoorbeeld om kennis met iemand te maken. Maar wanneer je je e-mail achter liet om deze freebie te ontvangen, werd je automatisch op de algemene mailingslist geplaatst en kon je dus ook acquisitie mailtjes krijgen. Dit mag niet meer. Wanneer jij het e-mailadres hebt verkregen via een freebie, zonder daarbij aparte losse toestemming te hebben verkregen voor andere mailtjes, mag je het e-mailadres nergens anders voor gebruiken dan voor de freebie.

Hoe je potentiele klanten dan nog wel kunt bereiken?

Expliciete toestemming

Een andere mogelijke grondslag is het hebben van expliciete toestemming om de persoon in kwestie te mailen met het doel dat jij voor ogen hebt. Hier komt wel wat bij kijken.

Allereerst moet de toestemming expliciet zijn. Dit betekent dat de toestemming duidelijk moet zijn verkregen door een actieve handeling. Een manier om toestemming te verkrijgen is het werken met een tickbox, ofwel aanvinkvakje. Je moet er hierbij op letten dat dit vakje niet vooraf aangevinkt mag staan. De persoon moet de actieve handeling verrichten door dit vakje zelf aan te vinken. Dit brengt ook met zich mee dat de toestemming geen onderdeel mag zijn van bijvoorbeeld je algemene voorwaarden.

Daarnaast moet je voor elk doel waarvoor je het e-mailadres wilt gebruik aparte toestemming vragen.  En deze aparte doelen moeten in begrjpelijke taal zijn omschreven. Als je het e-mailadres wilt gebruiken om zowel een freebie te sturen, als commerciele mailtjes en wellicht ook informatieve nieuwsberichten, zullen er dus drie verschillende tickboxes op je inschrijfformulier moeten staan.

De toestemming mag ook niet als verplichting worden gezien, maar moet altijd een vrijwillige handeling blijven. Wanneer je dus een freebie aan wilt bieden met de drie bovenstaande aanvinkvakjes, en de persoon slechts het vakje voor de freebie aanvinkt (en dus geen toestemming geeft op andere mailingslists te worden geplaatst) mag de conclusie niet zijn dat deze persoon dan ook de freebie niet ontvangt.

Toestemming bewijzen

Die verkregen toestemming moet je vervolgens ook kunnen bewijzen. Je moet kunnen aantonen wanneer de toestemming (opt in) is gegeven, waarvoor de toestemming is gegeven (voor welk doel, met daarbij de exacte opt in tekst) en de manier waarop toestemming is gegeven.

Wanneer jij dit altijd al op orde had (een goede duidelijke opt in tekst zodat de persoon in kwestie precies weet waarvoor hij staat ingeschreven op basis van de juiste grondslag) en voor iedereen op je huidige mailinglist toestemming kunt bewijzen, hoef je je huidige mailinglist niet opnieuw expliciet om toestemming te vragen.

Echter, wanneer je bijvoorbeeld mensen op je huidige mailinglist hebt staan die je via een freebie hebt verkregen, dien je de expliciete toestemming alsnog voor de juiste doeleinden vast te leggen.

Double opt-in

Nu hoef je die toestemming volgens de wet niet verplicht te bewijzen aan de hand van een double opt-in. Van een double opt-in is sprake wanneer een persoon, na inschrijving op een mailinglist, zijn mailadres nogmaals moet bevestigen.

In tegenstelling tot wat veel van jullie nu denken, is het hebben van een double opt-in NIET verplicht. Nog niet tenminste. Het zou namelijk kunnen zijn  dat in de nieuwe versie van de Code reclame via e-mail (de huidige versie dateert uit 2012), dit wel verplicht wordt gesteld. Dat is nu bijvoorbeeld in Duitsland al wel het geval.

En daar hebben zij een goede reden voor. Een double opt-in is namelijk wel de optimale manier om expliciete toestemming te bewijzen. Wanneer ik jouw e-mailadres ken, kan ik zonder double opt-in namelijk ook gewoon jouw e-mailadres inschrijven. Door in de double opt-in nogmaals om bevestiging te vragen, weet je zeker dat de juiste persoon jouw mails echt wil ontvangen en daar expliciete toestemming voor heeft gegeven.

Opt-out

Naast het kunnen bewijzen van de opt in, moet je je subscribers ook in elke mail de mogelijkheid geven zich van jouw nieuwsbrief uit te schrijven. De meeste programma’s, zoals Mailchimp en Active Campaign, zetten automatisch een opt out optie onderaan iedere e-mail, maar blijf dit altijd checken!

Wordt het lastiger om je mailinglist te laten groeien? Wordt het lastiger om je subscribers ook daadwerkelijk te behouden? Wordt het lastiger om via de mail te acquiseren? Ja. Maar het is NIET onmogelijk! Houd je aan de bovenstaande regels en leg alles goed vast in je privacyverklaring, dan zie ik jullie mails vanzelf weer verschijnen ;).

 

Fotografie

Fotografie: Is de AVG strenger dan het portretrecht?

Een foto is een persoonsgegeven, een bijzonder persoonsgegeven zelfs. Dit betekent dat foto’s, het eindproduct van jou als fotograaf, zijn onderworpen aan de nieuwe regels van de AVG – maar vooral ook de Nederlandse uitvoeringswet AVG.

Als fotograaf heb je op verschillende manieren te maken met de privacyregelgeving. Onder het verwerken van persoonsgegevens (dat waar de AVG betrekking op heeft) verstaan we namelijk ook al het vervaardigen, wat in jouw geval gelijk staat aan het maken van de foto. En wanneer jij persoonsgegevens verwerkt, dien je hiervoor een grondslag te hebben.

Nu een foto als bijzonder persoonsgegeven wordt gezien, gelden er nog strengere regels. Bijzondere persoonsgegevens mag je in beginsel namelijk niet verwerken, tenzij dit nodig is om een persoon te identificeren, de portretten al openbaar zijn gemaakt op internet door de geportretteerde zelf of wanneer je, hoe kan het ook anders, expliciete toestemming hebt.

In onze uitvoeringswet is echter een uitzondering opgenomen met betrekking tot het verwerken van die bijzondere persoonsgegevens. Wanneer jij journalistiek handelt, zijn bepaalde artikelen van de AVG namelijk niet van toepassing. Journalistiek handelen hoef je niet zozeer te koppelen aan het zijn van een journalist, maar meer aan de vrijheid van meningsuiting.

Iedereen die informatie, een mening, of idee deelt, en daarvoor een foto nodig heeft, kunnen we onder de definitie van journalistiek handelen scharen. Buiten de pasfoto’s om, zouden we dus voorzichtig kunnen concluderen dat jouw foto’s onder deze uitzondering vallen.

Wat betekent dat nu? Eenmaal gegeven toestemming door de geportretteerde is lastig in te trekken, de geportretteerde heeft geen absoluut recht op verwijdering (wel zo fijn voor jouw archief!) en misschien wel het belangrijkste: dat jij überhaupt bijzondere persoonsgegevens (foto’s dus) mag verwerken.  Uiteraard heb je hiervoor wel nog steeds een grondslag nodig.

Nu zul je bij die grondslag logischerwijs denken aan toestemming. Zeker nu je bijzondere persoonsgegevens verwerkt. Die toestemming kun je, bij fotografie in opdracht, in de overeenkomst vastleggen, waarbij ook je algemene voorwaarden een rol kunnen spelen. Deze toestemming heeft dus betrekking op het maken van de foto. Wanneer de de foto vervolgens ook wilt publiceren, bijvoorbeeld in je portfolio, heb je daar aparte toestemming voor nodig. Het belangrijkste aan toestemming is dat je dit kunt bewijzen. Ik raad je dan ook aan de toestemming via een ondertekend toestemmingsformulier te regelen.

Maar, is toestemming wel de grondslag die je wilt gebruiken? Je zou kunnen pleiten voor een gerechtvaardigd belang als grondslag, namelijk; vrije nieuwsgaring. Bij een gerechtvaardigd belang moet je echter wel steeds de belangenafweging maken tussen jouw grondslag en de privacy van de geportretteerde. Maar deden we dat niet altijd al door het portretrecht? Naast de AVG blijf je als fotograaf met het portretrecht verbonden wanneer je fotografeert zonder overeenkomst.

Zonder de AVG moest er, met dank aan het portretrecht, dus ook al een afweging worden gemaakt tussen verschillende belangen bij het publiceren van jouw foto’s. Strenger is de AVG dus niet. Misschien biedt het zelfs een oplossing; je hoeft ‘alleen maar even’ expliciete toestemming vast te leggen van de persoon op de foto.

Fotograferen moet je dus zeker blijven doen. Maak je niet te druk over wat ineens niet meer zou mogen en blijf vooral mooie plaatjes schieten. Wel even zorgen voor die grondslag, een goede beveiliging en privacyverklaring dan;)