auto BPM

Gaan we vanaf september nog meer belasting betalen?

Nu het warme weer is afgenomen en het ook al een paar keer geregend heeft, pakt men weer vaker de auto dan de fiets. Hiermee stoten we veel co2 uit. Deze uitstoot blijkt door een onjuiste test zelfs nog hoger dan vooraf berekend. De test die vanaf 2013 gebruikt werd om de co2 uitstoot van een bepaalde auto te bepalen, blijkt namelijk verre van betrouwbaar. Hierdoor klopt ook de aan de auto-eigenaar doorberekende Belasting Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) niet, want die wordt gebaseerd op de door de test gemeten co2-uitstoot.

Mede hierom is een nieuwe test in aantocht die beter meet hoeveel een auto uitstoot. Dit is op zich iets goeds: we zijn ons steeds meer bewust van het milieu. Voor Nederlanders heeft deze test echter wellicht ook nadelige gevolgen, omdat Nederland als enige land de BPM kent. Dit is een extra belasting op auto’s die gebaseerd is op de hoeveelheid gram co2 die de auto uitstoot. Het is daarom de vraag of deze nieuwe test en de resultaten die daarmee gepaard gaan gevolgen heeft voor de BPM die we bij de aanschaf van een nieuwe auto moeten betalen.

Meting co2-uitstoot

De berekening van de uitstoot werd vanaf 2013 gedaan door middel van de New European Driving Cycle (NEDC) test. Dit is een laboratoriumtest. Hierbij worden de spiegels van de auto gehaald, het reservewiel wordt verwijderd, naden worden afgeplakt, etcetera. Hierdoor heeft de auto zo min mogelijk weerstand. Daarbij komt nog dat in een laboratorium geen rekening kan worden gehouden met invloeden van buitenaf, zoals bijvoorbeeld wind. Hierdoor heeft de auto-industrie lange tijd testresultaten behaald, die in de praktijk niet haalbaar zijn. Deze onderzoeksmethode leidt dan ook tot een groot verschil in gemiddeld verbruik volgens de fabrikant en het verbruik in de praktijk.

Inmiddels is er meetapparatuur ontwikkeld die achterop een auto kan worden bevestigd. Op deze wijze kan de co2-uitstoot in de buitenlucht in een rijdende auto worden gemeten. Deze Worldwide Harmonised Light Vehicle Test Procedure (WLTP) moet ervoor zorgen dat de testresultaten beter aansluiten bij de daadwerkelijke co2-uitstoot. Dit betekent tevens dat de WLTP (test) een hogere co2-uitstoot zal weergeven dan de NEDC.

Berekening BPM

De BPM wordt gebaseerd op de co2-uitstoot, zoals deze in de tests gemeten is. Deze berekening is als volgt: Er is een starttarief van € 353,-. Daar komt per gram aan co2-uitstoot een bepaald bedrag bovenop aan de hand van een schijvenstelsel. Let wel, bestelauto’s, motoren en kampeerauto’s hebben deze gegevens over de uitstoot niet, hierbij gaat men uit van de cataloguswaarde. De BPM voor een bestelauto of kampeerauto is een percentage van de netto-catalogusprijs met een aftrek of toeslag, afhankelijk van de brandstof.

Gevolgen BPM

Het is de bedoeling dat alle nieuw verkochte personenauto’s vanaf september 2018 een WLTP-waarde hebben. In de loop van 2019 of aan het begin van 2020 worden de BPM-tarieven gebaseerd op de WLTP-goedkeuring. Aangezien deze test hogere co2 uitstoot meet, zullen er nieuwe BPM-tarieven moeten worden geïntroduceerd. Onze overheid heeft echter toegezegd dat deze hogere co2 metingen niet mogen leiden tot een hoger BPM-tarief. Voorlopig rekent men daarom de WLTP-waarde terug tot de NEDC-waarde totdat de nieuwe BPM-tarieven geïntroduceerd worden.

Toekomst

Veel fabrikanten denken dat de BPM toch fors omhoog zal gaan en maken daar nu gretig gebruik van door reclame te maken met het huidige BPM-tarief. Fiat stunt bijvoorbeeld met de reclame: ‘’Profiteer nu nog van de huidige, lage BPM.’’ Dit is een indicatie dat de auto-industrie ervan uitgaat dat het tarief omhoog zal gaan.

Is dit slechts marketing of (deels) terecht? Ik vrees het laatste: onze overheid heeft wel toegezegd dat de nieuwe meting niet tot een hoger BPM-tarief mag leiden, maar de overheid is al vaker van dergelijke beloftes teruggekomen.

Ook is er de Autobrief II van het Ministerie van Financiën, waarin men de BPM-tarieven over de periode 2017 tot en met 2020 heeft vastgelegd. In deze brief staat dat het BPM-tarief jaarlijks afbouwt doordat auto’s ieder jaar zuiniger worden, hetgeen minder co2-uitstoot en dus minder BPM betekent. Auto’s die niet zuiniger worden, blijven op hetzelfde BPM-tarief. De autonome vergroening van auto’s blijkt echter niet zo snel te stijgen als men dacht, waardoor het BPM-tarief niet daalt. Uit actuele cijfers blijkt juist dat de BPM stijgende is. Het is een combinatie van factoren die hiervoor zorgt: we kopen grotere, minder zuinige auto’s, zoals SUV-modellen. Als je daar dan ook nog een nieuwe test met de bijbehorende resultaten bij krijgt, blijkt dat de co2-uitstoot die in werkelijkheid wordt gemeten (maar wordt teruggeschroefd met een rekentool naar de oude NEDC test) toch opmerkelijk hoger uitvalt dan voorheen gemeten.

Conclusie

De WLTP test die de uitstoot berekent, wordt overal ter wereld gebruikt. De nieuwe test lijkt voor iedereen goed te zijn, behalve voor de Nederlandse auto(ver)koper. Nederlanders zullen nog vaker een tweedehandsauto kopen, omdat een nieuwe  te duur is. De auto’s zijn door deze extra belasting namelijk vele malen duurder dan elders, omdat andere landen geen BPM heffen.

Verder is al een aantal keer beloofd dat de BPM afgeschaft zou worden, zoals in de Autobrief II: de BPM zou afbouwen en tenslotte verdwijnen. Dat was al voordat de WLTP uitkomsten zo enorm bleken af te wijken van de NEDC waarden. De overheid belooft neutralisering van het BPM-tarief bij de nieuwe test, maar er is een aantal aanwijzingen die anders impliceren. Wellicht is dit een goede gelegenheid om de BPM af te schaffen, aangezien de BPM zorgt voor benadeling van Nederlandse auto(ver)kopers. Nederland is het enige land dat de BPM hanteert en daardoor worden we gediscrimineerd ten opzichte van andere lidstaten. Als je het mij vraagt, is deze BPM-kwestie allermist een gelopen race.

Achtergrondinformatie auteur:
Laura Peters (1994) is een enthousiaste  juriste met passie voor haar vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Fiscaal Recht, gecombineerd met Goederenrecht, aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hiervoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys te Tilburg, waar zij in 2016 afstudeerde. Ze heeft in haar laatste jaar de minor Bedrijfsjurist gevolgd. Hierna studeerde zij af met haar scriptie over de fiscaalrechtelijke en ondernemingsrechtelijke aspecten van het starten van een onderneming in Nevada, Verenigde Staten. Met veel passie en spontaniteit deelt ze graag haar belangstelling en kennis met je door het schrijven van Fiscale blogs. Fiscaal Recht is namelijk echt niet saai en dat laat ze je graag zien!
Arbowet

Nieuwe Arbowet: waar moet je aan voldoen als werkgever?

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) heeft tot doel dat werknemers veilig en gezond kunnen werken. Deze wet geldt voor alle werkgevers en werknemers in Nederland, dus ook voor deeltijd- en flexwerkers, uitzendkrachten, personen met een nulurencontract en stagiaires. Per 1 juli 2017 is de vernieuwde Arbowet ingegaan. Daarbij is er meer aandacht voor preventie, beroepsziekten en arbeidsgerelateerde gezondheidsklachten. Werkgevers en arbodienstverleners hebben tot 1 juli 2018 de tijd gekregen om deze wet te implementeren.

Wat is gewijzigd?

Een van de belangrijkste wijzigingen is de invoering van het basiscontract. Dit contract stelt minimumeisen aan het contract tussen arbodienstverleners en werkgevers. In het basiscontract staan rechten en plichten voor de werkgever, werknemer en de arbodienstverleners, zoals bijvoorbeeld de bedrijfsarts. Daarnaast blijft het uiteraard mogelijk om maatwerkafspraken te maken (basispluscontract), zolang maar aan de minimumeisen wordt voldaan. Wat het basiscontract verder inhoud, wordt verderop besproken.

De bedrijfsarts adviseert de werkgever over het toepassen van preventieve maatregelen voor gezond en veilig werken van de werknemers en over ziekteverzuimbegeleiding. De verzuimbegeleiding zelf is een taak van de werkgever. De werkgever moet ervoor zorgen dat de werknemer de bedrijfsarts kan bezoeken, ook als hij nog niet verzuimt of nog geen klachten heeft. Dat kan bijvoorbeeld door een open spreekuur. Voor de uitvoering van haar taken moet de bedrijfsarts hiertoe ook een vrije toegang tot de werkvloer worden geboden. Zo kan de bedrijfsarts een beter inzicht krijgen in de arbeidsomstandigheden van het bedrijf. Twijfelt de werknemer aan de juistheid van het door de bedrijfsarts gegeven advies, dan moet hem de mogelijkheid tot een second opinion worden geboden. Een dergelijk verzoek moet door de bedrijfsarts altijd worden gehonoreerd. De kosten hiervoor moeten door de werkgever worden betaald. Ook moet iedere bedrijfsarts een klachtenprocedure hebben. Hoe de werknemer gebruik kan maken van deze klachtenprocedure moet worden opgenomen in het basiscontract. Verder is de adviesrol van de bedrijfsarts verduidelijkt.

De bedrijfsarts moet samenwerken met de preventiemedewerker en andere arbodienstverleners. Ook mogen de bedrijfsarts en andere arbodeskundigen overleg voeren met de ondernemingsraad (OR), personeelsvertegenwoordiging (PVT) of betrokken medewerkers. Zo worden werknemers meer betrokken bij het bedrijfsbeleid voor veilig en gezond werken. De bedrijfsarts mag geen medische gegevens of informatie over privézaken van de werknemer delen met de werknemersvertegenwoordiging of de werkgever. Wel mag hij de werkgever adviseren over werkaanpassingen en informeren over de verwachte verzuimduur en de mate waarin de werknemer arbeidsongeschikt is. Een werknemer heeft altijd recht op inzage in zijn medisch dossier. En alleen met toestemming van de werknemer kan de bedrijfsarts medische informatie opvragen bij de huisarts.

Verder heeft ook de preventiemedewerker een belangrijkere rol gekregen in de vernieuwde Arbowet. Binnen elk bedrijf moet ten minste één werknemer zijn aangewezen als preventiemedewerker. Voor de benoeming van deze persoon is instemming van de ondernemingsraad (OR) of de personeelsvertegenwoordiging (PVT) vereist. Als het bedrijf minder dan 25 werknemers in dienst heeft, mag de werkgever zelf preventiemedewerker zijn. De preventiemedewerker heeft als taak het adviseren van en het samenwerken met de bedrijfsarts en andere arbodienstverleners.

Tot slot kan de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkgevers, arbodienstverleners en bedrijfsartsen sancties opleggen bij het niet naleven van de regelgeving en het basiscontract.

Basiscontract

Voor werkgevers zal de invoering van het basiscontract de grootste wijziging met zich brengen. Iedere werkgever moet beschikken over een eigen overeenkomst met een arbodienst of bedrijfsarts: het basiscontract. Hierin worden werkafspraken gemaakt voor de (wettelijke) taken waarvoor de werkgever zich volgens de Arbowet moet laten bijstaan door kerndeskundigen (bedrijfsarts, de veiligheidskundige, de arbeidshygiënist en de arbeids- en organisatiedeskundige). Daarbij kun je denken aan verzuimbegeleiding en het uitvoeren van een toets op de risico-inventarisatie en -evaluatie. De ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging (PVT) moet instemmen met de inhoud van het basiscontract. De werkgever is in de basis zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het contract.

De werkgever kan kiezen voor de vangnetregeling of de maatwerkregeling. In de meeste gevallen zal de werkgever een basiscontract sluiten met een gecertificeerde arbodienst. De werkgever maakt dan gebruik van de vangnetregeling. Als een werkgever zelf bepaalt wie hem ondersteunt bij de uitvoering van zijn taken binnen de Arbowet, dan maakt hij gebruik van de maatwerkregeling. De werkgever kan voor verschillende taken verschillende personen aanstellen. Daarbij heeft hij tevens de keuzemogelijkheid  om deze personen in dienst te nemen of hen (extern) in te huren. Voor deze regeling gelden echter wel aanvullende eisen. Zo moet de werknemersvertegenwoordiging (OR of PVT) schriftelijk akkoord gaan met de keuze voor de maatwerkregeling, de gekozen contractspartners en de inhoud van de contracten, tenzij het gebruik van de maatwerkregeling in de cao is vastgelegd. Verder moet er tenminste een contract worden afgesloten met een bedrijfsarts voor bijstand bij de verzuimbegeleiding, aanstellingskeuring en periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO). Als niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan, is de werkgever verplicht om de vangnetregeling toe te passen.

Minimumeisen inhoud basiscontract

Samenvattend dient in het basiscontract tenminste het volgende staan:

-Bij welke (wettelijke) taken de werkgever zich laat ondersteunen;

-Hoe de bedrijfsarts en/of kerndeskundigen omgaan met privacygevoelige informatie;

-De onafhankelijkheid van de bedrijfsarts en hoe de werknemer toegang heeft tot de bedrijfsarts;

-Hoe de werknemer een second opinion kan aanvragen bij de bedrijfsarts;

-De verplichting van de bedrijfsarts tot het melden van beroepsziekten aan het Nederland Centrum voor Beroepsziekten;

-De samenwerking met de kerndeskundigen; en

-De klachtenprocedure van de bedrijfsarts en/of kerndeskundigen.

Inmiddels is de implementatietermijn verstreken en moeten werkgevers aan het bovenstaande voldoen. Voldoet een werkgever hier niet aan, dan loopt hij het risico dat door de Inspectie SZW een boete wordt opgelegd. Houd er daarbij rekening mee dat de Inspectie SZW ook onaangekondigde bezoeken aan bedrijven en instellingen brengt. En let op, ook als werknemer kun je een boete krijgen als je de Arboregels niet naleeft!

Deze blog is geschreven door:
Deborah Kempers (1995) is een gedreven juriste met liefde voor het vak. Momenteel is zij bezig met de masterspecialisatie Burgerlijk Recht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daarvoor volgde zij de opleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, waar zij in 2016 met genoegen afstudeerde. Ze heeft zich daar in het bijzonder gespecialiseerd in het personen- en familierecht en arbeidsrecht. Zij studeerde af met een onderzoek naar de gevolgen van de Wet werk en zekerheid voor de advisering binnen de juridische rechtspraktijk. Met veel enthousiasme deelt zij deze kennis met jou door het schrijven van artikelen voor Ladylawyer.nl.